`Wilsòòònnnn...'

De soulschreeuw van Wilson Pickett was een kernfusie van pijn en genot. Maar er is iets veranderd aan die schreeuw.

De zaal was afgeladen vol en de man voor mij zweette als een otter. Zijn crème-kleurige overhemd kleefde als een pleister aan zijn rug en wanneer hij tijdens een snel nummer met zijn hoofd schudde vlogen de druppels in de rondte. Dansen kon je het niet noemen wat hij deed; vanaf zijn oksels naar beneden viel er, op wat slappe deining na, weinig beweging te bespeuren. Met zijn fladderende ellebogen en verende nek deed hij nog het meest denken aan een vetgemeste vogel die wanhopige pogingen doet om op te stijgen.

De spectaculaire blondine die op hoge hakken naast hem stond leek zich er niet aan te storen. Integendeel, bij elke stoot van de blazers reed zij met alles wat ze had tegen hem op. Als een golf die breekt op een rots klom zij in hem omhoog om bij het knallen van de drums weer terug te spoelen naar haar eigen plaats. Een beweging die zij volhield tijdens de ballads, maar in slow motion – waarbij haar rechterhand er het langst over deed om van zijn voorkant af te glijden.

De stukken parlando of een breed uitgesponnen introductie van een nummer gebruikte de man om zich hijgend en puffend een weg te banen naar de bar, waar hij elk rondje met een briefje van vijfentwintig betaalde zonder ooit op wisselgeld te wachten. Wat ik tijdens deze expedities van zijn gezicht te zien kreeg was rood, nat en opgeblazen. Maar veel schrikaanjagender dan zijn plofkop was het gezicht van zijn gezelschap op de momenten dat zij zich omdraaide om achterin de zaal naar de wc te gaan. Het ene moment keek zij nog, een en al opwinding en hitsige belofte, stralend naar hem op, en het volgende moment waren al haar trekken bevroren tot een dodenmasker. Zij liep een keer zo dicht langs mij heen dat ik de bloemen op haar huid kon ruiken en heel even kruisten onze blikken elkaar; toen ze mij voorbij was, beklopte ik mijzelf om na te gaan of al mijn organen nog wel op hun plek zaten.

Dat was deze zomer vijf jaar geleden en ik had nooit gedacht dat ik daarna nog eens de kans zou krijgen hem te zien optreden, Wilson Pickett, de grote soulzanger die de soundtrack verzorgd had bij het boven beschreven tafereel.

Ik was toen vooral gekomen voor zijn schreeuw, de verzengende soulschreeuw waarvan Pickett de onbetwiste kampioen is. Een schreeuw die als een reusachtige steekvlam hemel en aarde met elkaar verbindt en alles daartussenin aansteekt met nieuw leven. Een kernfusie van pijn en genot. Een schreeuw die iedereen binnen gehoorsafstand binnenste buiten keert, zodat de ziel komt te zitten waar hij hoort te zitten: aan de buitenkant, als de vorm die het lichaam omsluit – en er niets meer is dat ons scheidt.

Gemuilkorfd

Ik heb hem die avond niet gehoord, die schreeuw, en lange tijd heb ik gedacht dat dat mijn eigen schuld was: dat ik hem gemist had omdat ik mij teveel had verloren in wat zich vlak voor mijn neus afspeelde. Daar denk ik nu anders over. Heel anders. Nu weet ik dat Wilson Pickett zijn schreeuw tegenwoordig in de kleedkamer achterlaat, vastgebonden in een kooi, gemuilkorfd, verdoofd met pillen. Maar ik weet ook dat dat niet helpt: dat de schreeuw zich heel klein kan maken en zich, vermomd als verzuchting, als smeekbede, al is het maar heel even, toch nog steeds in Picketts stem hoorbaar kan maken.

Het was onlangs in Nice, tijdens `Nice Jazz' (alles aan de Côte d'Azur is zomers `jazz'), dat ik hem voor de tweede keer zag. In een klein, met olijfbomen en stug gras begroeid park bovenop een met dure villa's volgebouwde stadsheuvel. Tussen de tenten met broodjes jambon cru en Cajun-kip, bier en wijn, pan bagnat, worst met frites, wijn en bier, `coupes de jazz' en crèpes suzettes stonden drie podia opgesteld. Op één daarvan, niet het grootste, stond Wilson Pickett met zijn band gepland – na `Garou', de olijke en hese ster van de Parijse musical-versie van de Klokkenluider van de Notre Dame.

Als hij bij elkaar een half uur op dat podium heeft gestaan, Pickett, dan is het veel, en als hij daarvan een kwartier echt heeft gezongen, is het nog meer. Maar eerst was er nog het wachten. Wachten tot Garou klaar was ('Encore, Garou! Encore!'). Wachten tot het podium was omgebouwd. Wachten tot het eindelijk zou beginnen. Wachten op het einde van het wachten.

Toch nog onverwacht is het zover. Het toneel licht op als één grote, op het publiek gerichte flitslamp en het volgende moment zijn tien in strakke smokings gegoten muzikanten begonnen ons op te warmen, met de bezieling en finesse van de Chippendales op de laatste avond van een maandje Vegas. Alles pompt, plokt, tettert, giert en schettert, maar er gebeurt niets. Niemand uit het publiek raakt zelfs ook maar een beetje opgewonden. We willen graag verleid, veroverd worden, niet direct professioneel genomen.

Teiltje

Wanneer dan eindelijk, na een aankondiging van vijf minuten (`Wilsòòònnnn...') Pickett zelf opkomt, is hij duidelijk niet gekomen om te zingen of te dansen. Dat laat hij grotendeels over aan het publiek dat hij al vanaf halverwege het eerste nummer door zijn lijfwachten bij bosjes op het podium laat trekken om er even aan te ruiken en er vervolgens nauwelijks meer naar om te kijken. Hij fungeert bij elk nummer hoogstens nog als aangever, of, erger, als `impersonator' van zichzelf. Nog een kwartiertje, zie je hem denken, dan kan kan ik weer met mijn voeten in een teiltje met lauw water gaan zitten.

Ik heb elke hoop dat er deze avond nog iets van zijn ooit zo verwoestende soulschreeuw terecht zal komen al lang en breed opgegeven, wanneer hij opeens, bijna ongemerkt, aan de praat is geraakt en hij, terwijl zijn band een langzame muzikale striptease uitvoert, begint te vertellen over een nachtelijk telefoongesprek met zijn collega, vriend en songschrijver Bobby Womack. Een gesprek van man tot man over de liefde, waarom het ze toch maar niet lukt die ene, de ware, te vinden, of haar, bij toeval wel gevonden, aan zich te binden. Dit alles geheel volgens de gouden regels van de soulpreek, met een kwinkslag hier en een spreuk en een kreun daar, bedoeld om publiek en zanger panklaar te maken voor de finale – wat voor finale dan ook, als er maar een ontlading komt. En die komt er, onverwacht snel, misschien zelfs wel veel te vroeg – maar dat krijg je wanneer je je schreeuw er zo lang onder hebt gehouden.

Midden in zijn verhaal, zonder dat er ook nog maar een clue in de buurt is, begint hij te zingen. Drie woorden. I'm in love, I'm in love, I'm in love. Of in ieder geval de klank van die woorden – gevuld met alleen de herinnering aan hun betekenis. Niet hard, niet routineus, maar zacht en kwetsbaar zingt hij ze – het geluid van een verwaarloosd dier. En opeens heb ik de ervaring van iemand die in de ingevallen gelaatstrekken van een zwerver het gezicht herkent van een ooit machtige koning. Dus dát is er met de schreeuw gebeurd waarmee Wilson Pickett de nacht in lichtelaaie kon zetten. Het grote leeuwengebrul waarin alles wat een stem kan uitdrukken was samengevat, was bij verstek veranderd in een klein melodieus kermen: een smeekbede waarin – en dat is soul – óók weer alles wat een stem kan uitdrukken is samengevat.

De schreeuw en de bede, twee kanten van hetzelfde geluid, dezelfde overgave. Ons meest dierlijk geluid. Het meest menselijke geluid.

Het duurde misschien maar tien seconden, maar het was genoeg, en voor ik er erg in had was Wilson Pickett van het toneel verdwenen.

De ziel komt te zitten waar hij hoort: aan de buitenkant

    • Roel Bentz van den Berg