Weg met de horizon

Voor de landschappen van Robert Zandvliet bestaat een wachtlijst. ,,Mijn moeder zegt dat ik zodra ik kon kruipen mijn eigen gang ging.''

Praten met Robert Zandvliet (29) is praten over verf, over kwaststreken, transparantie, licht en kleur, over zinderend geel en statisch rood, over compositie, vormen en contouren – kortom over schilderen. Waar we het ook over hebben, daar komt het altijd op uit. Hij vertelt bijvoorbeeld over zijn jeugd. Hij werd geboren in het Friese dorp Terband en groeide op in het naburige Tjalleberd waar zijn vader een boerenbedrijf heeft. ,,Heel saaie lintdorpen. Elke ochtend fietste ik vijf kilometer naar school over een rechte weg met om de paar honderd meter een boom en een boerderij, dat was alles wat je tegenkwam. Voor je gevoel zit de horizon daar heel laag, maar gek genoeg zit de horizon in mijn schilderijen juist heel hoog. Nou ja, dat is niet zo gek: ik ben gewoon niet zo goed in luchten. Ik ben iemand die uit vorm denkt en een wolk heeft iets vormeloos. Een wolk is amorf, wollig. Weissenbruch kon dat mooi schilderen en Breitner – hoe hij in een nachtlandschap van die monumentale vierkante blokken in de lucht liet hangen, die toch wolken waren.''

Als kind was hij een dromer en – hij geeft het toe – eigenlijk is hij dat nu nog. ,,Ik had vijf broers en zusjes, maar ik had een eigen zolderkamertje waar ik altijd zat. Zo is het nu met mijn atelier. Als ik daar een paar dagen niet ben geweest, mis ik het vreselijk. Als ik de deur van mijn atelier dicht doe, is dat mijn wereld. Ik was vroeger al een Einzelgänger, mijn moeder zegt dat ik zodra ik kon kruipen mijn eigen gang ging.''

Zijn atelier is een gigantisch lokaal met glazen dak in een voormalige technische school in het Rotterdamse Crooswijk. Er staan een tafel, een stoel en een uitgezakte crapaud. Er zijn wat schappen met schilderijen, potten en kwasten, maar verder is de ruimte leeg. Tegen de wand aan het einde van het lokaal hangt zijn laatste, nog niet voltooide schilderij. Het metersbrede doek toont een dynamisch geschilderd, fictief landschap waarin blauw, geel en wit overheersen. Er is geen duidelijke horizon, er zijn geen bomen of rivieren in aan te wijzen, het is niet figuratief, maar toch is er de suggestie, de sfeer van een landschap. Net zoals zijn andere monumentale doeken heeft hij het op de vloer geschilderd omdat anders de dunne temperaverf waarmee hij werkt teveel uitloopt. Zandvliet: ,,Soms ben ik er een uur omheen aan het lopen, wachtend tot ik het rechtop kan zetten om te kijken of het klopt. Als het op de grond ligt, werkt de zwaartekracht nog niet, dat gebeurt pas als het hangt. De zwaartekracht verandert het beeld, vormen kunnen dan ineens lijken te zweven en dat wil ik niet. Ze moeten staan, een bodem hebben. Als een doek hangt, krijgt het ook ineens een `leesrichting': van links naar rechts.''

Het nieuwe schilderij verschilt hemelsbreed van het werk dat hij een paar jaar geleden maakte. Zandvliet begon in 1994 met monumentale doeken van simpele objecten zoals een eierdoos, een stuk chocola of een caravan, tegen een achtergrond van monochrome kleurvlakken. De objecten waren tot op de rand van het herkenbare gestileerd zodat je soms niet wist of je een brood, een sofa of een bouwkeet zag. Na de voorwerpen schilderde hij een serie `doorzichten': door een frontaal weergegeven verrekijker, vliegtuigraampje of camera gunt hij ons een blik in een verte waar nagenoeg niets te zien is, hooguit een horizon, of de hemel.

In 1997 toonde Zandvliet op een expositie in Middelburg die Het Witte Doek heette, enkele grote schilderijen van bioscoop- en televisieschermen. Lege schermen, zonder beeld, in ijle streken geschilderd of, zoals bij het tv-scherm, in dotjes wit op wit, waardoor het beeld lijkt te sneeuwen. Terwijl hij bezig was aan zo'n leeg scherm kreeg hij ineens de behoefte om er een boom op te schilderen en zo kwam hij uit bij het landschap. Op een reeks kleine doeken verkende hij de elementen van het landschap – water, lucht, wegen, vlaktes, heuvels en horizon. Zijn tot dan toe beheerste manier van schilderen begon radicaal te veranderen toen hij overging op grote formaten. De kwaststreek werd vrijer, contouren werden achterwege gelaten en de voorstelling werd steeds verder geabstraheerd. Al het statische verdween en bij sommige schilderijen lijkt het landschap, hoe roerloos het ook aan de muur hangt, voorbij te flitsen.

Zandvliet: ,,Het opgeven van de contouren begon al bij mijn schilderij van twee haarspelden. Daarin was de contour tegelijk het ding. Het was een overgangsschilderij, het landschappelijke zat er al in. Als ik die omtrekkende beweging van contouren bij mijn landschappen zou toepassen, zou ik een soort Dick Bruna-schilderijen maken. Je kunt gras helemaal monochroom groen schilderen, maar dan wordt het vlak. Dus je moet de kleur laten verlopen en dan stuit je op problemen van structuur en licht. Het oer-idee van een landschap is een horizontale streep over het doek met daaronder de aarde en daarboven de lucht. Maar op een gegeven moment kun je daar geen genoegen meer mee nemen. Al schilderend raakte ik geïnteresseerd in complexere composities met verschillende perspectieven in één schilderij. Dan kom je bij het kubisme. Met het kubisme begon de deformatie van het beeld, de bevrijding van het idee dat de dingen er op een schilderij net zo uit moeten zien als in de werkelijkheid. In mijn vroegere schilderijen, van objecten, vensters en filmschermen, was er altijd nog iets van realisme, maar bij de landschappen is dat aan het verdwijnen. De kijker hoeft niet te weten: dat is een weggetje zus of een boom zo om de ervaring te krijgen van iets landschappelijks. Voor- en achtergrond lossen nu in elkaar op, er heerst een minder opzichtige orde, er kunnen meer horizonnen in één schilderij zitten, of helemaal geen horizon. Mijn landschappen gaan over licht, lucht, ruimte en beweging. Als je een object schildert en de ene kleur is niet goed, dan neem je een andere. Maar bij landschappen kan dat niet, want je moet het licht erin houden.''

Blokkendoos

Hij besloot op zijn zestiende dat hij wilde gaan schilderen. De twee dichtstbijzijnde kunstacademies waren die in Groningen en in Kampen. Hij koos voor Kampen. Niet omdat de Kampense academie een christelijke is, maar omdat het romantische gebouw, een voormalige kazerne, tot zijn verbeelding sprak. ,,De Minerva-academie in Groningen is in een soort moderne blokkendoos gevestigd, dat zag ik niet zitten. Maar ik was nog zo naïef als de pest, ik wist van niks. Ik dacht: de kunstacademie, dat is lekker kleien en kwasten. Kunst was voor mij nog iets dat je met je handen maakt. Al het ideeëngoed dat er aan te pas komt, de kunstgeschiedenis en filosofie, daar had ik geen enkel benul van. Het was een wereld die voor me openging, ik vond dat fantastisch.''

Toen hij op de academie zat, in de jaren tachtig, was de discussie over `het einde van de schilderkunst' al in volle gang. Het deed hem weinig en hij kreeg niet de neiging om een ander medium te kiezen, zoals bijvoorbeeld video. ,,Modern, dat is video in de beeldende kunst. Maar dat is belachelijk. Bij de meeste video's die ik zag, dacht ik: Kijk eenmaal naar Bruce Nauman, dan hoef je al die onzin niet meer te maken. De video's van hedendaagse kunstenaars gaan vaak niet verder dan wat Nauman in de jaren zeventig al heeft laten zien. Je kijkt ernaar en meestal gebeurt er niks. Er valt een glas melk om op een tafel en je ziet het minutenlang druppelen. Dan denk ik: jongens wat moet ik hiermee. Video is een jong medium in de beeldende kunst en daarom is gestuntel natuurlijk onvermijdelijk. Het mooie van schilderen is: je hebt één beeld en daar moet alles inzitten. Binnen de beeldende kunst vind ik het schilderij nog steeds het sterkste medium dat het meest voor zichzelf spreekt. Nu alle -ismes in de schilderkunst voorbij zijn, aan alle uitersten is geraakt, hebben we nog wel een eeuw nodig om het ideeëngoed van de afgelopen honderd jaar, van de pop-art, het minimalisme en noem maar op, verder uit te diepen. Het einde is nog lang niet in zicht. Het schilderen, als handeling, heeft ook iets magisch. Eerst moet je je hoofd leegmaken, je ergens overheen tillen en dan gebeurt er soms iets wat je niet in de hand hebt en niet kon voorzien.''

De lege film- en tv-schermen die hij schilderde waren `stiekem wel een commentaar op het video-gedoe', maar dat was voor hem niet de hoofdzaak: ,,Over honderd jaar speelt dat niet meer en ik hoop dat mijn doeken dan ook nog een zeggingskracht hebben. Wat ik nastreefde was eerder het creëren van rust, verstilling. In deze eeuw is alles steeds sneller gegaan en ik hoop dat er weer een tijd van vertraging komt, dat mensen weer leren kijken naar beelden die niet bewegen, naar stilstand.''

Wachtlijst

Na de kunstacademie in Kampen was Zandvliet twee jaar, van 1992 tot 1994, leerling bij De Ateliers in Amsterdam. Hij wilde niet in Amsterdam blijven, hij vond die stad `te bruin': ,,De grachten en dan nog al die bruine bakstenen. Hier in Rotterdam heb je de Maas, door het bombardement is de stad veel ruimer opgezet en is er een ander, helder soort licht.''

In 1994 won hij een Prix de Rome en in 1997 de Charlotte Köhler-prijs. Hij had tentoonstellingen in De Vleeshal in Middelburg, het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With, de De Pont Stichting in Tilburg en het Dordrechts Museum. Voor zijn werk is zoveel belangstelling dat zijn galerie – de Amsterdamse Galerie Onrust – een wachtlijst van potentiële kopers moest aanleggen. Zandvliet kon zich in 1995 – 25 jaar oud – de weelde permitteren om het aanbod voor een expositie in het Stedelijk Museum in Amsterdam af te slaan. ,,Ik was daar toen nog niet aan toe'', legt hij uit. ,,In Nederland is het Stedelijk Museum voor een kunstenaar het hoogst haalbare en ik wilde dat nog even uitstellen. Ik wil mijn hoofd niet op hol laten jagen door wat men hier in Nederland fantastisch vindt. Het is beter om mijn werk eerst eens in het buitenland te laten zien.''

Hij vertelt over de tentoonstelling die hij dit voorjaar in Wenen had. De Oostenrijkse kranten besteedden er uitvoerig aandacht aan en hij verkocht er veel. In januari 2000 krijgt hij zijn eerste expositie in New York, bij de galerie van Peter Blum die ook kunstenaars als Alex Katz en Royden Rabinowitz brengt.

Op mijn vraag of hij zijn carrière bewust uitstippelt, antwoordt hij aarzelend `Nee'. Maar internationaal doorbreken wil hij wel. En dat kan, zegt hij, `alleen maar stapje voor stapje'.

Over het schilderen en over kunstenaars die hij bewondert, kan Zandvliet onvermoeibaar en met een stralende blik vertellen. Maar hij kijkt me glazig aan nadat ik een uitspraak heb geciteerd van de schilder Marc Mulders. In Het Parool zei Mulders onlangs dat hij met zijn schilderijen, die hij tot een harmonieus geheel ordent, een betere wereld nastreeft, een `restauratie van normen en waarden'.

Zandvliet: ,,Of ik dat ook wil? Nee. Ik ben niet politiek geëngageerd, voor politiek heb je politici. Je kunt ook niet de hele wereld verbeteren met een schilderij. Ik hoop dat ik het kijken een beetje kan beïnvloeden, dat mensen niet meteen een betekenis willen zien. Maar ik ben niet geïnteresseerd in belerende schilderkunst. Wel in bevrijdende.

,,Op dit moment heb ik veel aan Willem de Kooning. Hoe hij al schilderend zocht naar het juiste beeld. Soms moet je dat opnieuw toelaten. De Kooning had een los-vaste verhouding met de werkelijkheid. Wat hij gezien had, de perceptie van een vrouw, een wateroppervlak, een boom, voel je terug in zijn schilderijen. Hij stond tussen de figuratieve en de abstracte kunst in, met één been in beide werelden, dat was voor hem de enige oprechte uitingsvorm. Er zit zoveel in zijn schilderijen dat je ze niet kunt onthouden, je vergeet ze, maar je kunt ze steeds opnieuw ervaren en dan zie je er telkens andere dingen in. De Kooning is voor mij een voorbeeld door de manier waarop hij de werkelijkheid kon loslaten en weer terughalen. Zo'n doek als De rozevingerige dageraad, daar is geen boom of horizon in te bekennen, maar er is wel de impact van een landschap. Ik zie de schilderijen van de Kooning niet als abstracte kunst omdat daaraan altijd een theorie verbonden is. Bij de Kooning hoort geen theorie, of die is door anderen geformuleerd. Hij schilderde gewoon. En hij laat ook zijn twijfels zien: soms zijn er afgekrabde stukken die hij niet overschilderde.''

Hij vertelt dat hij zelf anders werkt dan de Kooning: weinig afkrabt, maar wel veel overschildert. Een doek waar hij maanden aan heeft gewerkt kan de indruk wekken alsof het kwiek geschilderd is. ,,Ik ga de worsteling niet moedwillig laten zien.''

Neongroen

Een goed schilderij moet volgens Zandvliet duidelijk van deze tijd zijn, maar tegelijk tijdloos: ,,Als je nu een schilderij maakt, is dat niet automatisch van deze tijd, er zijn mensen die nog steeds surrealistische doeken schilderen. Het hedendaagse heeft te maken met het bewustzijn van wat voorbij is in de kunstgeschiedenis. Wij zien een ander soort kleuren dan mensen uit de 17de eeuw. Rembrandt portretteerde zichzelf niet in een pimpelpaarse of neongroene jas. Een 17de-eeuwse schilder zette een bruin-groene boom neer en had dan als contrast een toefje rood nodig dus gaf hij de wandelaar in de verte een rood wambuis. Sinds de fauvisten kunnen we dat omdraaien en een rode boom schilderen. In deze eeuw hebben kleuren weer een psychologische lading gekregen en daar moet je je ook van bewust zijn. Toch wil ik niet dat mijn schilderijen zo tijdgebonden zijn dat men er over vijftig jaar niets meer in ziet. Het tijdloze schuilt in oude principes van compositie, kleur- en zwart-wit-verhoudingen waaraan een schilderij moet voldoen. Bij veel grote kunstenaars zie je dat de manier van schilderen, de intentie en de voorstelling gelijkwaardig zijn en elkaar versterken. Velázquez maakte bijvoorbeeld talloze doeken van prinsjes en prinsesjes, maar er staan ook dwergen op, hofdwergen. Aan die infantiele adellijke kopjes, die vozige, karakterloze prinsenhoofdjes, was niks leuks te schilderen en je oog wordt dan ook meteen getrokken naar de dwergen, daar leefde hij zich op uit. Je ziet het ook op zijn schilderij Koningin Isabella te paard: het hoofd van Isabella is expres heel slap en truttig geschilderd, maar het paard is een en al karakter. Het is een wonder dat die doeken door de opdrachtgevers werden geaccepteerd, waarschijnlijk waren ze te dom om te zien wat hij deed.''

Hij lacht als ik vraag of zijn leven alleen maar om het schilderen draait. ,,Nog niet genoeg.'' Zijn vriendin, Annemiek de Beer, die hij op de academie in Kampen leerde kennen, schildert in hetzelfde gebouw, een paar verdiepingen hoger. ,,We komen elke dag bij elkaar kijken en geven commentaar. Ik ben heel blij dat ik iemand heb met wie ik over mijn schilderijen kan praten. Bij veel jonge kunstenaars zie je na de academie alle passie verdwijnen. Bij ons is die passie er nog. We houden elkaar alert.''

Werk van Robert Zandvliet is te zien op de tentoonstelling `Glad ijs, een keuze uit nieuwe aanwinsten, 1980-2000', vanaf 2 oktober in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Bij Galerie Onrust verscheen vorig jaar het boek `Robert Zandvliet', met een essay van M.M.M. Vos. Prijs ƒ40,-.

`Ik laat mijn hoofd niet op hol jagen door wat men hier in Nederland fantastisch vindt'

`Het mooie van schilderen is: je hebt één beeld en daar moet alles inzitten'