Voorouderlijke gevoelens

In medische en moralistische geschriften uit de zeventiende en achttiende eeuw werd borstvoeding van een minnemoeder, een vrouw die het kind van een ander zoogt, beschouwd als een pedagogisch risico. Via moedermelk van een vreemde vrouw zouden ongewenste affectieve en morele eigenschappen op het kind overgedragen kunnen worden. De deugdzame elite die gebruik maakte van minnemoeders, die op hun beurt vaak afkomstig waren uit lagere sociale klassen met andere waarden en normen, liep dus het gevaar dat hun kroost begiftigd werd met een slecht en onzedelijk karakter. In mei 1730 betitelde De Examinator of de Hollandsche Zeedenmeester borstvoeding door een min zelfs als `hoerenmelk'. Er ging niets boven borstvoeding van de natuurlijke moeder.

De Examinator was een van de vele achttiende-eeuwse spectatoriale geschriften, waarin de auteur – de spectator – zich opwierp als toeschouwer, waarnemer en beoordelaar van de toenmalige samenleving. De spectator observeerde en becommentarieerde gewoontes en gebreken en gaf op tal van terreinen moralistisch-didactische adviezen. Dit betekent niet dat de inhoud per definitie braaf en saai was – de toon van de artikelen was eerder luchtig en schertsend. Het lezerspubliek – de gegoede burgerij, het regentenpatriciaat en de adel – verwachtte niet al te serieuze en doorwrochte stukken, waardoor de spectator-schrijvers hun moralistische boodschappen op aantrekkelijke wijze moesten presenteren; de wereld diende zowel `ter leering, als ter verlustiging' te kijk worden gezet.

Hartstochten

De historica Dorothée Sturkenboom nam achttiende-eeuwse Nederlandse spectatoriale geschriften als bron voor haar geleerde dissertatie die – en daarmee treedt zij in het voetspoor van de spectator-schrijvers – een lust is om te lezen. Sturkenbooms invalshoek is verrassend en vernieuwend: ze vraagt zich af hoe mensen in het verleden met emoties zijn omgegaan en welke seksespecifieke waarderingen hieraan werden gegeven. Sturkenbooms aanname is dat emoties niet slechts biologisch bepaald zijn en in elke samenleving als universele verschijnselen voorkomen, maar dat de historische en culturele context grote invloed hebben op het gevoelsleven van vrouwen en mannen. Het gaat haar niet om de emoties als onderzoeksobject op zich, maar om de wijze waarop in achttiende-eeuwse spectatoriale geschriften emoties werden benoemd, geïnterpreteerd en gewaardeerd.

Sturkenboom hanteert het begrip `emotionele cultuur': het `geheel van gevoelsregels, expressiecodes, emotiewoorden, idealen, theorieën en populaire overtuigingen die binnen een bepaalde groep of tijd van invloed zijn op de benoeming, beleving, uiting en kennis van emoties en gevoelens'. Op het eerste gezicht is dit begrip een allegaartje van nauwelijks te onderscheiden en met elkaar vergroeide elementen van om het even welke sociale groep. Maar Sturkenboom weet op overtuigende wijze de ingewikkelde emotionele infrastructuur die de spectator-schrijvers in hun stukken over het voetlicht brachten, te ontrafelen en een fraai beeld te geven van gewenste en ongewenste hartstochten in het achttiende-eeuwse Nederland.

Na de Gouden Eeuw raakte Nederland op economisch, cultureel, sociaal en militair terrein in het slop. In de wereld telde de Republiek niet langer mee. De oorzaak van deze achteruitgang werd onder andere gezocht in het verval der zeden. De algehele malaise zou zich ten goede kunnen keren, wanneer de Nederlandse burgers bepaalde, door spectator-schrijvers voorgeschreven gedragsregels, in acht namen. Burgers dienden zich te realiseren dat persoonlijke deugd – binnen het Nederlandse Verlichtingsdenken hield dit een mengsel van geloof en rede in – een publieke zaak was: nationaal herstel van welzijn en welvaart kon alleen plaats vinden wanneer men zich persoonlijk inzette voor het vaderland. Mannen en vrouwen die zich overgaven aan ongewenste, oncontroleerbare emoties en hartstochten, werkten mee aan het verdere verval van het vaderland en kregen van de spectator-schrijvers felle kritiek. Sturkenboom destilleerde uit deze kritiek, die verpakt werd in satirische verhalen waarin literaire, karikaturale personages figureerden, een aantal typen mannen en vrouwen met ongewenste karaktereigenschappen.

Kokette jongedames

De behaagzieke saletjuffers: flirtende, lonkende, wispelturige kokette jongedames, die door grillen als pronkzucht, eigenliefde, heerszucht en jaloezie werden geregeerd. Dit type vrouw vormde een groot gevaar voor eerzame burgerzonen. Een behaagzieke juffer onttrok zich aan huishoudelijke taken – ter harentwille diende extra personeel in huis te komen –, was spilzuchtig en had zowel op haar naaste omgeving als de gehele Nederlandse samenleving een negatieve morele uitstraling. Onder de burgerlijke jongeheren was er de petit-maître of saletjonker: een zich aan modegrillen overgevend sjiek heerschap met een rechtentitel, een statussymbool, waarvoor hij nauwelijks had gestudeerd. De saletjonker gaf zich ook over aan een ziekelijke liefde voor zichzelf en z'n schoonheid, las vooral luchtige, nietszeggende lectuur, en bracht z'n tijd door in salons, boudoirs en koffiehuizen, waar hij als een leeghoofd over politiek en filosofie converseerde. Sommige spectator-schrijvers typeerden de met veel bravoure omgeven saletjonker als een laffe vent, die niet voor z'n vaderland durfde op te komen.

Sturkenboom laat in haar Spectators van hartstocht een bonte stoet figuren voor het voetlicht treden, die bij de twintigste-eeuwse lezer de lachlust opwekken: verwijfde types, libertijnse lichtmissen – vergelijkbaar met de hedendaagse naar seks smachtende `macho' –, onanerende jongens en meisjes, geldzuchtige vrekken en godsdienstige dwepers. Het achttiende-eeuwse lezerspubliek zal gesmuld hebben van de vaardige en in venijn gedoopte pen van de spectator-schrijver, die op papier herkenbare, aan het dagelijks leven ontleende personages creëerde. Echter, naast vermaak stond `leering': deze types waren bedoeld als waarschuwing tegen gedragspatronen die niet thuishoorden in een gezonde, Nederlandse burgerlijke cultuur.

In Sturkenbooms studie spelen gender – de betekenis en plaats die het sekseverschil in een maatschappij of cultuur heeft – en psychologie een belangrijke rol. Het arsenaal van emotiebeschrijvingen – hartstochten, driften, begeerten en (ziels)aandoeningen – waarover een spectator-schrijver beschikte, werd voor zowel de vrouwelijke als de mannelijke gemoedstoestand gebruikt. Dit betekent overigens niet dat mannelijke en vrouwelijke emoties gelijkwaardig waren. Sturkenboom constateert, niet geheel onverwacht, een depreciatie van vrouwelijke emoties. In een verhaal over een echtelijke ruzie, ontstaan nadat de man bij het inschenken van de glazen herhaaldelijk rode wijn op het sneeuwwitte linnen morste, wordt de huilende vrouw als een `helsche furie' afgeschilderd. De vastberaden man daarentegen verliest geen moment zijn zelfbeheersing en zelfs de paar tranen die hij laat vloeien nadat hij op kalme toon zijn koppige vrouwtje terecht heeft gewezen, zijn `mannelyke traanen'. Het koppel vrouwelijkheid en emotie, aldus Sturkenboom, had in de spectatoriale geschriften vaak een negatieve betekenis: gedragspatronen en sociale groepen die niet pasten in het burgerlijk ideaalbeeld, werden in diskrediet gebracht door ze van het label `verwijfdheid' te voorzien.

Glibberig onderwerp

Het is opmerkelijk dat Nederlandse historici zich reeds decennialang bedienen van inzichten afkomstig uit sociale wetenschappen als sociologie, pedagogiek en culturele antropologie, maar dat de psychologische wetenschap als hulpmiddel voor de verklaring van gedragingen van mensen uit het verleden nauwelijks gebruikt wordt; de Tilburgse emeritus-hoogleraar Harry Peeters, die op vruchtbare wijze geschiedenis en psychologie aan elkaar paarde, is hierop een uitzondering. Door de moderne psychologie in huis te halen, laat Sturkenboom haar vakbroeders en -zusters zien dat inzichten uit deze sociale wetenschap van grote waarde zijn voor het geschiedbedrijf. Door het voor historici glibberig en onhandelbaar onderwerp `emotie' te voorzien van een modern begrippenkader, weet Sturkenboom de spectatoriale geschriften, een belangrijke (literaire) bron, een meerwaarde te geven: Spectators van hartstocht ontsluiert het verborgen gevoelsleven van achttiende-eeuwse burgers. Sturkenbooms aanpak is overigens geen risicoloze onderneming: het anachronistisch gevaar ligt voortdurend op de loer. Maar dat mag voor historici geen bezwaar zijn zich te voeden aan de borst der psychologie.

Dorothée Sturkenboom: Spectators van hartstocht. Sekse en emotionele cultuur in de achttiende eeuw. Verloren, 420 blz. ƒ54,-