VN moeten ingrijpen in Oost-Timor

De tragiek van Oost-Timor laat opnieuw zien welke sinistere functie militairen vervullen in de meeste landen van de Derde Wereld. De internationale gemeenschap is verplicht deze bloeddorstige parasieten te ontwapenen, vindt Mario Vargas Llosa.

Terwijl de tragedie van Kosovo nog niet voorbij is, breekt aan de andere kant van de wereld die van Oost-Timor uit. Het leger van Indonesië, nog niet tevreden nadat het in december 1975 deze vroegere Portugese kolonie was binnengevallen en er een kwart van de bevolking had uitgeroeid, is nu, nadat de Timorezen in overweldigende meerderheid – 78,5 procent – voor de onafhankelijkheid hebben gestemd, begonnen het gebied al plunderend en moordend met de grond gelijk te maken en, nadat het journalisten en waarnemers heeft verjaagd, de bevolking massaal te verdrijven en te deporteren naar de westelijke helft van het eiland dat Indonesisch grondgebied is.

Wierp de toestand in Kosovo, waar twee rivaliserende gemeenschappen met een voorouderlijk recht om er te wonen bijeen leefden, nog een zeker moreel dilemma op, de situatie in Timor is glashelder. Het kost niet de minste moeite agressoren van slachtoffers te onderscheiden en de verantwoordelijken aan te wijzen. De overhaaste, chaotische wijze waarop Portugal zijn wingewest in 1975 aan zijn lot overliet, als een gemakkelijke prooi voor zijn onverzadigbare, machtige nabuur, en zonder het eerst een kans op onafhankelijkheid te bieden (hetgeen internationale bescherming zou hebben gegarandeerd), is de eerste oorzaak van de actuele catastrofe.

Zware schuld treft ook de toenmalige Amerikaanse regering. President Gerald Ford en minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger brachten juist een staatsbezoek aan Jakarta, en Soeharto, de tiran van Indonesië, vertelde hun van zijn plannen om Oost-Timor in te lijven. Ze protesteerden niet. Anthony Lewis reconstrueert in zijn column in The New York Times van 7 september wat Kissinger destijds heeft gezegd tegen zijn adviseurs in Washington, die zijn besluit ter discussie stelden. ,,Het zou niet realistisch zijn geweest, met het oog op het belang van de Verenigde Staten, Indonesië voor het hoofd te stoten.'' Inderdaad zorgden de militairen van generaal Soeharto voor de `stabiliteit' van 's werelds op drie na volkrijkste land (250 miljoen inwoners), dat destijds het toneel van een economisch wonder leek. Waarom zouden we dat regime, een bondgenoot van het Westen in de strijd tegen het communisme, niet toestaan dat nietige gebiedje op te slokken – een verdwaalde stip in de oceaan, zonder enige strategische waarde, bewoond door nog geen miljoen mensen? Het gevolg van deze pragmatische overwegingen, zo stelt Lewis terecht, was de moord door Indonesische militairen op meer dan 200.000 Timorezen gedurende de afgelopen kwarteeuw, en de onnoemelijke misdaden die recent zijn en worden gepleegd om de verzelfstandiging van de vroegere Portugese kolonie te verhinderen, of in elk geval te zorgen dat Oost-Timor voortaan nog slechts een schim zal zijn, beroofd van alle leven en middelen van bestaan.

De berekeningsfout die Kissinger maakte, was dat hij (in een tijd van mondialisering) het weerstandsvermogen heeft onderschat van een volk, hoe klein ook, zeker in verhouding tot zijn onderdrukker, dat wordt gedreven door vrijheidsdrang. Om dezelfde reden concludeerde hij dat de Sovjet-Unie `een blijvend gegeven' was (kort voordat de kolossus ter aarde stortte) en dat de verzetsbewegingen in de Midden-Europese satellietstaten, zoals Solidariteit in Polen, weliswaar heroïsch waren maar gedoemd waren te falen. De Verenigde Staten en hun bondgenoten konden zich dus beter schikken in de coëxistentie met het Sovjet-rijk en het Chinese imperium en men moest hun maar de vrije hand laten om te doen wat zij wilden binnen hun eigen invloedssfeer. Dat was een ernstige fout. De totalitaire of autoritaire kolossus heeft lemen voeten en dat is een van de heilzame politieke lessen in deze nadagen van een eeuw die zo overladen is met maatschappelijke cataclysmen als de onze.

Net als in de Sovjet-Unie viel ook de Indonesische tirannie uiteen in een verderfelijke chaos van corruptie, inefficiëntie en wreedheid. Het schijnbare `economische wonder' verbleekte als bij toverslag, waarna de westerse mogendheden zich verplicht zagen met miljarden dollars over de brug te komen om te voorkomen dat het geheel zou verdwijnen. En zelfs nu nog, terwijl de Indonesische militairen in Timor genocide bedrijven, werken het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank aan financiële hulp met een omvang van 71 miljard dollar, aan het regime van president Yusuf Habibie. Tegen de meedogenloze uitroeiingscampagne van de bezetter in heeft het bijna non-existente Oost-Timor zich weten te handhaven; zijn verzet is wereldkundig geworden en in 1996 in zekere zin erkend door het toekennen van de Nobelprijs voor de vrede aan twee voorvechters van de onafhankelijkheid, de bisschop van Dili, Carlos Xemenes Belo, en José Ramos-Horta. Niet alleen in moreel maar ook in praktisch opzicht hadden de Verenigde Staten meer gewonnen – of minder verloren – wanneer ze Soeharto's autocratie ervan hadden weerhouden Oost-Timor te bezetten en het gebied hadden begeleid op de weg naar de onafhankelijkheid.

Het merkwaardige is nu dat de recente geschiedenis weliswaar geen spaan heel laat van het `pragmatisch realisme' van Kissinger, waarmee hij dictators en satrapen dacht te temmen door concessies aan hen te doen en hun toe te staan de mensenrechten te vertrappen, maar dat de wereld die les blijkbaar niet ter harte neemt. De vertegenwoordiger van Canada in de Veiligheidsraad, Robert Fowler, antwoordde op de kritiek die op de Verenigde Naties is geuit om haar passieve houding tegenover de misdaden van Indonesië in Oost-Timor: ,,Moeten de VN het op drie na grootste land ter wereld de oorlog verklaren? Willen ze dat? In de Veiligheidsraad bestaat niet het geringste animo voor een oorlog tegen Indonesië.'' En de voorzitter van de Raad, de Nederlander Peter van Walsum, steunde hem en gaf de verzekering dat de VN de hoop nog niet hadden opgegeven dat president Habibie zich zou houden aan zijn belofte ,,voor vrede en veiligheid in Oost-Timor te zorgen.''

De principes van deze diplomaten zijn duidelijk: de Verenigde Naties mogen opkomen voor recht en vrede, mits het land of het regime dat zich eraan vergrijpt zwak, onbeduidend, arm en hulpeloos is. Dan, ja dàn mogen de VN interveniëren en blauwhelmen sturen naar bijvoorbeeld Haïti of Rwanda of in uitzonderlijke gevallen zelfs naar Koeweit of Bosnië. Maar de grote, machtige landen zijn immuun als het gaat om het grootste of het op één, twee of drie na grootste land ter wereld – wie wil zo'n land tegen zich in het harnas jagen? Waar wordt de grens getrokken? Hoeveel macht – gemeten naar militair of economisch vermogen – moet een land hebben om ongestraft collectieve misdaden en wreedheden te begaan? Beseffen de ambassadeurs Peter van Walsum en Robert Fowler werkelijk niet dat zij met uitspraken als deze de scepsis voeden van hen die zich afvragen of de VN eigenlijk wel ergens voor deugen, en of de internationale gemeenschap er wel goed aan doet belastinggeld te bestemmen voor haar weldoorvoede bureaucratie en haar kwebbelende diplomaten?

Dictaturen vertegenwoordigen hun bevolking niet; dictaturen zijn façades die met behulp van bruut geweld een schijn van orde en stabiliteit ophouden. Wanneer wij een grens stellen aan hun excessen, met economische sancties, embargo's, financiële quarantaine of, in uitzonderlijke gevallen, gewapende actie, helpen wij daarmee tevens de volken die zuchten onder hun juk. Volken, die niemand met enig gevoel of beschaving kan identificeren met de onderdrukkers die poseren als hun regeringen. Als blijkt dat de internationale gemeenschap, om te redden wat nog te redden valt in Oost-Timor, moet optreden tegen de dictatuur van president Habibie en de archipel van regionale militaire oligarchieën waarin zijn regime zich lijkt te hebben gedecentraliseerd, dan is dat goed voor Indonesië. Het zou het proces van democratisering consolideren dat op gang is gebracht door de Indonesiërs zelf in de straten van Jakarta en dat hen later door een gewiekste manoeuvre van Yusuf Habibie en de officieren weer afhandig is gemaakt.

In de tragiek van Oost-Timor zien we opnieuw de sinistere functie die militaire instanties vervullen in de meeste landen van de Derde Wereld, en de zware hindernis die zij vormen voor de democratisering van die landen. Net als in Afrika of Latijns-Amerika zijn ook in een groot deel van Azië de strijdkrachten een soort parasiet die zich nestelt in de ingewanden van de maatschappij en de levenssappen uitzuigt tot ze halfverlamd is, weinig meer dan een omhulsel, zonder eigen leven. Hoe kunnen de instituties van een beschaafde samenleving – rechtspraak, de rechtsorde, informatievoorziening, ondernemerschap, onderwijs, gezondheidszorg, politieke partijen – floreren in een maatschappij waar de politieke macht ondergeschikt is, een instrument is van de militaire macht? Het Indonesische regime onder Habibie is ertoe bewogen, gedwongen door de omstandigheden (dat wil zeggen, het vocht voor zijn leven) het onafhankelijkheidsstreven in Oost-Timor in beginsel te aanvaarden en te beloven de uitslag van het referendum te respecteren.

Maar de officieren besloten anders en bewapende de milities die de bevolking van het gebied nu al het hele jaar teisteren en intimideren. Desondanks kwamen de Timorezen stemmen, en viervijfde deel van hen sprak zich uit voor onafhankelijkheid. Vervolgens gingen de militairen verslaggevers, correspondenten en waarnemers terroriseren en dwongen zij hen te vertrekken, zodat ze hun moordcampagne en hun tactiek van verschroeide aarde zonder getuigen konden volvoeren. Is er een beter bewijs dat zij de eigenlijke macht vertegenwoordigen? Zij zijn een boosaardige, bloeddorstige macht en de internationale gemeenschap is verplicht hen te ontwapenen, niet alleen om de 600.000 overlevenden in Oost-Timor te redden, maar ook om 250 miljoen Indonesiërs hun waardigheid en vrijheid te hergeven.

Mario Vargas Llosa is schrijver.

©El País