Uren, dagen, maanden, sterren

Wanneer er in een twintigste-eeuwse Nederlandse almanak, zoals de Enkhuizer almanak, voorspellingen zijn opgenomen, betreffen die hooguit adviezen voor land- en tuinbouw. Een belangrijk deel van de voorspellingen in zeventiende-eeuwse almanakken echter bestond uit opmerkingen over de sterrenkundige invloed op het weer, de landbouw en het menselijk lichaam. Naast deze `natuurlijke' astrologie was er ook een `judiciële'. Die poogde de invloed van de sterrenhemel te interpreteren en aan de hand daarvan voorspellingen te doen over oorlog, ziekte, hongersnood of natuurrampen. Ook het lot van individuen en de bepaling van het juiste moment voor een handeling behoorden tot het domein van de judiciële astroloog.

Jeroen Salman besteedt in Populair drukwerk in de Gouden Eeuw een uitvoerig hoofdstuk aan de astrologische aspecten van de almanak. Van hoog tot laag, betoogt hij, was er in de zeventiende eeuw weinig twijfel over astrale invloed op het aardse leven; maar er bestond wel verschil van mening over de aard en reikwijdte van die invloed. Het speculatieve karakter van de judiciële astrologie kreeg tegenspel van gereformeerde geestelijken, academici en wereldlijke overheden. De almanakmakers trokken zich daar echter weinig van aan. In de prognosticaties kwam wel steeds meer nadruk te liggen op Gods voorzienigheid, en een enkele almanak waagde zich aan informatie over de nieuwe astronomische inzichten, maar aan het eind van de zeventiende eeuw vervulden astrologische voorspellingen nog steeds een belangrijke maatschappelijke functie. Al ging het maar om de weersvoorspelling. Zonder die, stelde de Oprechte Groeninger almanach voor 1671, was het kalenderboekje niet beter `als om verbrant, en een Pijp Taback daer mede aangesteken te worden; Jae dickwijls wort hij gecondemneert om het achter-Casteel, daer mede te reynigen'.

Salmans definitie van een almanak is: drukwerk dat als vaste basis een kalender heeft en daarnaast aanvullende teksten van informatieve, moreel-instructieve, of diverterende aard bevat. Het zijn dus voorlopers van onze zakagenda's. Voor zijn onderzoek analyseerde Salman 362 exemplaren van 122 verschillende Noord-Nederlandse almanakken uit de periode 1570-1705. Die analyse betrof niet de meerjarige of eeuwigdurende almanakken, maar uitsluitend almanakken die voor één jaar waren samengesteld. Dat er slechts uit twaalf jaargangen geen exemplaren te vinden waren mag een wonder heten. Per definitie was de almanak immers gedoemd tot vergankelijkheid. Salman citeert in dit verband een anekdote van Johan de Brune de Jonge uit 1644. De vrouw van een boekenwurm veronderstelde dat haar man haar wellicht meer aandacht zou geven als ze een boek was. De man beaamde dat, maar dan wilde hij haar wel het liefst als almanak, want daarvan kreeg je elk jaar een nieuwe.

Tot de jaarlijks weerkerende rubrieken van een almanak behoorde de `Verklaringe'. Die gaf een instructie voor het almanakgebruik en bevatte tijdrekenkundige gegevens. Meestal gaf dit inleidend deel ook een toelichting op de in de kalender gebruikte pictogrammen. Daarna volgde het kalendergedeelte, met aanduidingen van de heiligedagen, de markten, en de epistel- en evangeliehoofdstukken volgens het kerkelijk jaar. De vier maangestalten, tekens van de dierenriem, de aderlaatkalender en medische instructies werden veelal in pictogrammen weergegeven. Daarachter volgde praktische informatie, zoals de watergetijden, dienstregelingen van trekschuiten, beurtschepen en wagens en het sluiten van de stadspoort. In het dan volgende astrologische deel werd naast de prognosticatie, een overzicht van zon- en maaneclipsen en een astro-agrarische kalender doorgaans, in aanvulling op de aderlaatkalender, een `aderlaat- of zodiakmannetje' opgenomen.

Op al deze inhoudelijke aspecten van de almanak gaat Salman uitgebreid in. Wat waren de achtergronden ervan, hoe ontwikkelden ze zich in de drukgeschiedenis van de almanak, en wat voor invloed had de protestantisering op de vanouds katholieke elementen in het religieuze almanakdeel? Geen vraag wordt overgeslagen, en aan het eind van ieder hoofdstuk wordt het verschijnsel almanak in Europees perspectief geplaatst. De toenmalige religieuze, wetenschappelijke, politieke en sociaal-culturele ontwikkelingen vormen het kader van zijn betoog. En bij al dit intellectueel vertoon raakt zijn eigenlijke onderwerp, de almanak, geen pagina uit het zicht.

Werden de prognosticatie en praktische informatie al als `bijwerk' beschouwd, in meerdere mate nog gold dit voor de leerzame en vermakelijke leesstof: historische kroniekjes, fabels, kluchten en anekdoten, spreuken en spreekwoorden, kalenderpoëzie en liedjes. Salman typeert de historische kroniekjes in politiek-religieus opzicht als algemeen neutraal of conformistisch. Niettemin werd naast de levensverhalen van vorsten, kerkleiders en geleerden ook ruimte gegeven aan de lotgevallen van gewone mensen. Zo meldt het Chronycxken dat in 1675 door Johannis Stichter te Amsterdam gedrukt werd bij het jaartal 1634: `Sijn tot Alkmaer 4 Kinderen t'eender dracht gebooren.' En op de bijbehorende houtsnede liggen inderdaad vier wikkelkindjes op één kussen.

Besteedde Salman in het eerste deel van zijn boek al aandacht aan de almanakberekenaars en -samenstellers, in het tweede deel, `De almanak als handelswaar', biedt hij nooit eerder onderzocht materiaal over de almanakdrukkers en hun relatie tot de berekenaars en plaatselijke overheden. Zijn studie concentreert zich hierbij op vier stedelijke centra: Deventer, Amsterdam, Utrecht en Leeuwarden. Het stadsbestuur blijkt vooral de verstrekker van privileges en een belangrijke afnemer van de almanakken te zijn geweest. In Amsterdam was de almanakberekening na 1650 nauwelijks meer een taak van medici. In Deventer en Leeuwarden hadden ze die functie nog wel. Bij de samenstelling van Friese en Groningse almanakken speelden bovendien ook schoolmeesters, predikanten en hoogleraren een belangrijke rol.

Over de distributie is Salman al even kernachtig. Hij zet vraagtekens bij de rol van de ambulante handel. Er was, stelt hij, geen sprake van één type marskramer, maar van vele vormen van colportage. Naast omlopers verspreidden stadsboden veelal de kalenderboekjes, maar ook tamboers en `jongens' leurden voor een nieuwjaarsfooi met verse almanakken. Er bestond een grote diversiteit aan almanaksoorten en het koperspubliek kende geen beperkingen. Salman berekende dat één op de vier huishoudens in de Nederlanden over een almanak kon beschikken. In de Noordelijke almanakken werden zelfs boerenmeiden als koper aangesproken.

`De cultuur van het gedrukte woord ontleent haar betekenis niet alleen aan de kracht van de idee of de schoonheid van de taal, maar ook aan de macht van het grote getal', concludeert Salman in zijn slotzin. Het belang van Populair drukwerk in de Gouden Eeuw reikt dan ook verder dan de geschiedenis van de almanak. Daarover zijn de komende decennia nog hooguit deelstudies te publiceren. Niet alleen Salmans tekst, maar ook de bij het boek gevoegde cd-rom met een descriptieve bibliografie van Noord-Nederlandse almanakken biedt daarvoor ideale uitgangspunten. De systematische opzet van Salmans studie lijkt echter ook voor de geschiedenis van ander populair drukwerk, zoals straatliederen of volksboekjes, een voorbeeldig model.

Jeroen Salman: Populair drukwerk in de Gouden Eeuw. De almanak als lectuur en handelswaar. Walburg Pers, 495 blz. met cd-rom, ƒ89,-