Tussen minnezang en leerdicht

Over liefde en verliefdheid is al menig gedicht geschreven. Vooral over de liefde die niet verder kwam dan verlegen, dus vergeefse pogingen tot hofmakerij. Voor de middeleeuwse minnezangers was het onbeantwoord dingen een hoofs, dus lieflijk onderwerp. Bij moderne dichters daarentegen leidt `de kous op de kop' eerder tot droevige verzen. De obsessieve `Marina-sonnetten' van Jan Kal zijn zelfs onverbloemd rancuneus.

In 98 is het verhaal van een schuchtere kalverliefde ingebed in het verslag van een andere, spirituele verliefdheid. In hart en hersens van de jonge anglofiel Verbart strijden het meisje in de studentenflat en Edmund Spenser, dichter van The Faerie Queene, om beurten om aandacht. Als de student ook zelf zijn schreden op het pad van de poëzie zet, lijkt het meisje te winnen. En niet alleen van Spenser, blijkt in `Kwellingen':

Kwalijk word ik helaas niet van je

meisje, mis je niet eens niet, al is

de beberekening fefeitelijk

nog niet vereffenoft, begrijp je wel?

Dus als ik kom, nou

berg je dan maar op menjuffrouw,

want als ik kom dan dan

bebreng ik bloemempjens of nen

geschenkjen,

maar wees maar niet benauwd

(menjuffrouw),

ben maar niet bang voor dat ik kom,

want kommen, nou, dat (slik) –

dat doen ik niet.

Dit is het eerste vers van Verbarts debuut. Samen met twee andere gedichten vormt het de cyclus `82'. In dat jaar werden de verzen dan ook geschreven. Twee jaar later ontstonden drie andere teksten: een drietraps verhaaltje over een fietstocht naar Durgerdam in de zomer van '81, en twee cryptische prozastukjes in het Engels. Dit drieluik vormt de cyclus `84'.

Iedere poëzieredacteur zou een debutant hebben aangeraden zulke vingeroefeningen thuis in de kast te laten. Maar in 98 spelen `82' en `84' een belangrijke rol in de titelcyclus.

Zo schrijft Verbart hoe hij in januari, `tijd van voornemens', de knoop doorhakt door zijn studie en voetbalhobby af te breken en een boek te gaan schrijven. Maar helaas: `Twas een oud probleem / die drie gedichtjes waren al een boek: / the soul selects her own society, / then shuts the door.' En op soortgelijke wijze krijgen ook de Engelse cryptogrammen uit `84' hun plek.

In rijmloze regels van elk vijf jamben vertelt 98 het verhaal van de studententijd van een Bevelandse jongen. Soms lijkt dat op het verslag van een hindernisren, waarbij de dichter steevast als laatste aan de finish komt. Altijd gaat het dan om zijn pogingen in contact te komen met het meisje dat hij in het oog kreeg toen ze toekeek hoe hij met vrienden biljartte. Hooguit driemaal sprak hij haar daarna. Na een half jaar pauze onderneemt hij een laatste poging, maar opnieuw is, of geeft ze niet thuis. Zoals ze hem meed toen hij op een mooie zomerdag vanaf het pontje naar huis fietste, `trager dan traag fietsend',

en zij me al flirtend vrolijk voorbij ging,

en niet flirtend met mij, een mooie dag.

(Versnelde je toen trouwens niet,

André?)

Of toen, een gunstige gelegenheid

eerder, ik haar vanaf de pont inhaalde

en dacht te spreken maar zij achterom

keek met iets panisch dat ik niet begreep,

ik hield mijn hart vast dat ze niet confuus

gevaarlijk overstak, een rotpunt daar

van het verkeer, en toen ik naast haar

kwam

keek ze staar voor zich uit alsof ik niet

bestond: als het zo moet, dacht ik, dan

niet,

en fietste door, dramatisch hoofd-

schuddend,

iets akeligs geworden.

Elke schrijver heeft zijn eigen Ina Damman. Voor Verbart was deze zoveelste negatieve ontmoeting `weer een reden om weer niets te doen'. Maar intussen kreeg de poëzie hem in haar greep. Of zoals hij het zelf formuleert: `Mijn poort was Spenser, / ik was zijn grote kenner, en daarmee / extreem intiem met poëzie, rechtstreeks.'

Meer dan minnezang is 98 een leerdicht. In het spoor van Spensers tijdgenoot, Philip Sidney, schreef Verbart zijn eigen Defence of Poesy. Zijn keuze voor `blank verse' vloeit als vanzelf voort uit zijn poëticale opvattingen die, zoals zijn poëtisch verslag over kalverliefde, haast terloops, maar in klare termen, zijn verwoord. Zo vertelt hij hoe hij na een bezoek aan een `huis waar zieken afgezonderd zijn, steriel' weer buiten kwam en ervoer hoe onecht alles daar leek

(...) en de gekuiste regelmaat

een leugen. Zo veel blijft er ongezegd!

En zegt literatuur dan vaak juist niet

het minst van al, louter conventioneel,

geen fictie of autobiografie

maar iets vrijblijvends tussenin, met sfeer

en namen aangepast, begrip, feiten,

alles, als het maar veelbetekenend

lijkt? Eigenlijk is het natuurlijk niets

staat in de harten van zulk werk

geschreven:

ik schrijf anders. Eindelijk aan het

woord!

En geen mens die ertussen komt, zodat

ik overijverig dingen verklaar

of wazig toelicht, en in samenspraak

(herinner ik me de volgende dag)

het spoor verlies; en net zo min tast hier

spanning articulatie aan, en gaan

gedachten ineens onbeheerst klinken.

Het is een negatieve stellingname, maar het verklaart waarom 98 zo openlijk autobiografisch is als het lijkt. Zelfs de pijnlijkste ervaring is goed voor een metafoor. Zo wordt de ziekte van Crohn, waarvan bloedige diarree een belangrijk symptoom is, herhaaldelijk associatief ter sprake gebracht. Immers `ook anderen / konden als mij het niet werd aangezien / net zo gemakkelijk van binnen bloeden, / wat weet je van een ander innerlijk?'

98 is bij tijden schaamteloos en baldadig. Nooit larmoyant, hoe heftig en dramatisch het titelgedicht ook eindigt. Het is geen grootse poëzie, en de hardnekkige ontkenning van de apostrof (`overt', `vant', `nuut moment') en de anglicistische toevoeging van een `n' tussen eind- en beginklinkers (`beefde nik') irriteren. Maar de poëtische inzet is indrukwekkend en maakt nieuwsgierig naar meer.

André Verbart: 98. Querido,

56 blz. ƒ29,90