Toch weer hetzelfde mannetje

Veel in Charles Chaplins `The Great Dictator' lijkt de historische werkelijkheid weer te geven. Historicus Christian Delage ontdekte dat die film veeleer het resultaat was van Chaplins eigen Hitler-beeld.

Charles Chaplin heeft zich achteraf geschaamd voor sommige scènes in zijn The Great Dictator (1940). De grappen over het concentratiekamp – waarin de joodse kapper wordt opgesloten met zijn strijdmakker uit de Eerste Wereldoorlog – zou hij niet hebben gemaakt als hij had geweten van de manier waarop in concentratiekampen joden werden uitgemoord, schreef Chaplin in 1964 in zijn My Autobiography. Misschien mocht de filmmaker dan nog van geluk spreken dat een op een scènefoto voorkomend beeld niet in de film terecht is gekomen. Op deze, tijdens de opnamen voor de film in 1939 gemaakte foto zien we Chaplin en de generaal bijtend in het prikkeldraad de grapjas uithangen, gadegeslagen door wat Duitse soldaten.

Het beeld komt voor in Chaplin, la grande histoire, een rijk geïllustreerd album waarin de Franse historicus Christian Delage (40) onderzoekt hoe en waarom Chaplin zijn eerste geluidsfilm wijdde aan een briljante satire op nazi-Duitsland. Hij kon daarbij als een der eerste onderzoekers beschikken over documenten die berusten in het huis in het Zwitserse Vevey, waar Chaplin tot zijn dood in 1977 woonde.

,,Misschien was die scène met het prikkeldraad maar een geintje tijdens de opnamen, dat nooit voor de film bedoeld was', zegt Delage. ,,Want in de te Vevey bewaarde scenarioversies komt zo'n scène niet voor.' De scenario-versies lagen in Vevey – keurig gerubriceerd per film en onder de hoede van een oude dame – in kartonnen dozen, samen met foto's, het logboek van de opnamen in Hollywood en het journaal van de projecteur van de filmstudio. Uit dat laatste stuk kun je nagaan welke journaalbeelden van nazi-Duitsland Chaplin in 1939 liet draaien voor zichzelf en zijn crew, om inspiratie op te doen voor de parodie op een megalomane dictator, die in de film Hynkel heet en door Chaplin zelf gespeeld wordt.

Een beetje archivaris zou zijn vingers aflikken bij een dergelijke ontdekking. Je ziet het geleerde boekwerk al voor je, vol overzichtelijke schema's over hoe welke journaalopnamen in The Great Dictator terecht zijn gekomen. Er is ook alle reden daar nieuwsgierig naar te zijn. Wie de film nu ziet, krijgt namelijk de indruk dat Chaplin het karakter en de gedragswijze van Hitler beter getroffen heeft dan Hitler zelf op de journaalbeelden.

Wetenschap

Maar zo is Delage in Chaplin, la grande histoire niet te werk gegaan. Hij behoort tot een filmhistorische school rond het Franse blad Vertigo die zich verzet tegen de overheersende stromingen binnen de academische benadering van film in Frankrijk: die is meestal of psycho-analytisch, of gebaseerd op archiveren en het verzamelen van feiten. ,,Beide benaderingen zijn het gevolg van het feit dat films tot in een recent verleden in de academische wereld niet ernstig genomen werden', zegt Delage. ,,Om serieus genomen te worden, bestaat de neiging om film teveel op zichzelf te beschouwen. De psycho-analytische richting heeft daarbij de neiging de filmkunstenaar te zien als iemand die op een wolk, hoog boven het gewoel, creëert. De anderen menen dat er vanzelf een zelfstandige wetenschap ontstaat, als je maar genoeg materiaal verzamelt en films restaureert.'

Delage, die onder andere geschiedenis doceert aan de École polytechnique in Parijs denkt niet dat film als studie-object op zichzelf kan staan. Zelf is hij ook geen filmhistoricus, maar tot Chaplin gekomen door een onderzoek naar de nazi-visie op de geschiedenis. ,,Als ik nu de bronnen van Chaplin haarfijn had uitgeplozen, dan had het net geleken alsof de waarde van The Great Dictator kan worden afgemeten aan de mate waarin het beeld van Hitler en nazi-Duitsland historisch `correct' is. Dat lijkt me onzinnig.'

Delage relateert, op een essayistische manier, The Great Dictator niet alleen aan Chaplins historische bronnen, maar ook aan diens eerdere werk en aan de verhouding van Chaplin tot Eerste Wereldoorlog – aangezien The Great Dictator begint met scènes die op dat slagveld spelen. Behalve uit het archief te Vevey, heeft de historicus daarbij ook uit andere bronnen geput.

The Great Dictator was Chaplins eerste geluidsfilm maar er is nog een reden waarom de film binnen zijn werk een aparte plaats inneemt – zoals uitgedrukt in een te Vevey teruggevonden aantekening van de filmmaker: `Het is mijn eerste film waarin het verhaal belangrijker is dan de kleine zwerver.' Toch was het niet de eerste film van Chaplin die deels op het slagveld van de Eerste Wereldoorlog speelde: in 1918 had hij in Shoulder arms al grappen gemaakt over de ervaringen van een soldaat. Delage reproduceert overigens een document uit 1931 over de internationale distributie van deze film, waaruit blijkt dat hij in Nederland door de censuur verboden was.

Na Shoulder arms had Chaplin het verwijt getroffen dat hij zich vrolijk had gemaakt over het soldatenleven, terwijl hij zichzelf zorgvuldig buiten schot had gehouden – eerst door als Brit niet uit Amerika terug te keren naar Engeland om zich als vrijwilliger te melden en zich evenmin na het intreden van de Verenigde Staten in de strijd in zijn nieuwe vaderland als soldaat aan te melden. Zijn verweer was dat hij in 1917 door een recruteringsbureau in Los Angeles als `te mager' was afgewezen, maar zich wel zeer had ingespannen voor de propaganda voor de verkoop van Liberty Bonds, certificaten waarmee de Amerikaanse oorlogsinspanning deels gefinancierd werd.

Geenszins lichtvaardig gaat Chaplin dus in 1938 weer met de heikele materie van de Eerste Wereldoorlog in de slag, deze keer om een contemporain thema – Hitler en zijn obsessie met de joden – aan de orde te stellen. The Great Dictator speelt, na de proloog in 1918, grotendeels op twee lokaties: het paleis van de dictator, die hier Hynkel heet, en een joods getto waar de kapper woont. Beiden worden gespeeld door Chaplin zelf en lijken dus op elkaar – de laatste als een nieuwe versie van de kleine zwerver uit zijn vorige films.

Intimiderend

Zowel Hynkels paleis, met zijn intimiderende vertrekken die zo ruim gedacht zijn dat mensen er in worden verkleind, als het getto lijken – in het licht van onze latere kennis van de nazi-geschiedenis – betrekkelijk precieze weergaven van de historische werkelijkheid. Maar Delage laat zien dat dit eigenlijk niet zo is. Hitlers Rijkskanselarij met zijn bovenmaatse afmetingen, moest toen Chaplin in 1938 zijn scenario schreef, nog opgeleverd worden. De ambiance waarin Hynkel in de film getoond wordt, lijkt meer een projectie van Chaplins eigen analyse van Hitler.

Hoe kwam Chaplin ertoe om onder de kenmerken van het nazi-bewind juist de jodenhaat als leidraad te nemen? Misschien speelde een rol dat in de Duitse antisemitische propaganda Chaplin zélf regelmatig (ten onrechte) als jood werd beschouwd, op een paneel in de Berlijnse tentoonstelling Der Ewige Jude in 1937 bijvoorbeeld. En verder ontbrak het Chaplin in Hollywood niet aan kennissen die voor het Duitse antisemitisme waren gevlucht: de acteur Peter Lorre of de componist Max Steiner bijvoorbeeld.

Toch meent Delage dat Chaplins schildering van het joodse getto niet zozeer door de actuele gebeurtenissen is ingegeven. ,,Hij lijkt zich hier meer door eerdere verhalen over de getto's in Oost-Europa te hebben laten inspireren – het getto in The Great Dictator is eigenlijk een anachronisme. Chaplin maakte overigens wel meer gebruik van anachronismen. Zo is de fabriek in Modern Times uit 1936, met zijn mensonterende onderschikking van de mens aan de machine en de lopende band, eigenlijk meer een parodie op de Ford-fabrieken in de jaren twintig, dan in de jaren dertig.'

The Great Dictator eindigt met een hoogst idealistische toespraak van de joodse kapper, per ongeluk in de plaats van Hynkel gehouden, die ons zestig jaar later veel minder overtuigend voorkomt dan de parodie op Hitler. Want de film eindigt in een happy end. Staande op een podium, voor een enorme menigte die denkt dat hij Hynkel is, bepleit de kapper mensenliefde en de inzet van technische middelen niet voor oorlog, maar voor het menselijk geluk. De menigte valt hem even enthousiast bij, als ze eerder Hynkels pathetische gebral tegen joden en vrijheid van meningsuiting hadden omarmd.

,,Het is onjuist om deze scène af te doen als een loze concessie aan de Hollywood-traditie van het happy end', meent Delage. ,,De stukken tonen aan dat Chaplin aan die slottoespraak lang heeft geschreven en eerdere versies, met een ander einde heeft verworpen.' Een eerdere versie zag de kapper met het joodse meisje waarop hij verliefd was samen weglopen over de horizon, op weg naar een andere toekomst, vér van de geschiedenis. Maar juist dát leek Chaplin een vals happy end. Na alle grappen, meende hij, moest The Great Dictator met een ernstige noot eindigen: een oproep tot een betere wereld.

De waarde van The Great Dictator ligt dus niet in de mate waarin Chaplin de Hitler-dictatuur historisch juist heeft afgeschilderd en ook - meent Delage - niet in de er later aan toegekende kwaliteit een dictator aan de kaak te stellen, van wie de gevaarlijkheid vele anderen pas later duidelijk werd.

Agitprop

Chaplin heeft zich overigens steeds verzet tegen de gedachte dat hij een agitprop-film had afgeleverd. `De Dictator is geen propaganda-film', schreef hij in 1940 in antwoord op een (lovende) kritiek in de New York Times die, samen met Chaplins weerwoord in het boek staat afgedrukt. `Het is de geschiedenis van het mannetje die ik mijn hele leven al heb verteld. Alleen heeft die geschiedenis een invalshoek, zoals ooit De negerhut van Oom Tom of Oliver Twist dat hadden.'

Juist dat welbewuste aansluiten bij zijn eigen kunstzinnige inzichten en eerder werk maken The Great Dictator tot een grote en belangrijke film, meent Delage. Vergelijk dat eens met La vita è bella van Roberto Benigni, de eerder dit jaar met een Oscar bekroonde komedie die voor een groot deel in een concentratiekamp speelt. ,,Het waardeloze aan die film is niet dat Benigni grapjes maakt in de context van een concentratiekamp, maar dat die film niets te maken heeft met zijn eerdere films en dat hij, zoveel jaar later, ook geen werkelijk risico heeft genomen met het onderwerp', meent Delage.

Chaplin daarentegen zette zijn tanden in de geschiedenis, terwijl die nog bezig was en open voor velerlei interpretaties. En hij kreeg dan ook veel kritiek te verduren – van `te grappig over een ernstig onderwerp' tot `niet grappig genoeg'. Ook van nazi-zijde waren er overigens protesten, want het was de Duitse ambassade in de VS al voor de opnamen duidelijk dat Chaplin zijn krachten op een parodie op de Führer beproefde. Maar met de Duitse bezwaren maakte Chaplin korte metten: die Hitler moest niet zeuren, vond hij, want die had zelf Charlie Chaplins snorretje gestolen.

Christian Delage, Chaplin, la grande histoire. Éditions Jean-Michel Place, Parijs 1999. 175 FF

Chaplin was voor het Amerikaanse leger afgewezen omdat hij `te mager' was

    • Raymond van den Boogaard