Pensioenfondsen hoeven niet zo concurrerend te zijn

De verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds is niet strijdig met het Europese mededingingsrecht. Dit besliste het Europese Hof van Justitie in Luxemburg afgelopen dinsdag in een procedure tegen drie Nederlandse bedrijfspensioenfondsen.

In de procedure werd door een aantal ondernemingen het standpunt ingenomen dat de verplichtstelling van deelneming in een bedrijfspensioenfonds in strijd komt met het Europese mededingingsrecht. Het mededingingsrecht verbiedt kort gezegd onderlinge afspraken die de concurrentie tussen ondernemingen beperkt. Ook is het aan marktpartijen verboden om misbruik te maken van een machtspositie.

De impact van de zaak is enorm groot. Indien de pensioenfondsen in strijd met het mededingingsrecht zouden handelen, komt de pensioenvoorziening voor een groot aantal werknemers op de tocht. In Nederland kennen wij immers een wijdvertakt systeem van verplichte bedrijfspensioenfondsen. Er zijn ruim 80 bedrijfspensioenfondsen waarvan er bijna 70 zijn verplicht zijn gesteld. In de gezamenlijke bedrijfspensioenfondsen participeren een kleine 3 miljoen werknemers.

De verplichtstelling komt tot stand door een besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op verzoek van de sociale partners in de bedrijfstak. De verplichtstelling betekent dat deelneming in het bedrijfspensioenfonds algemeen bindend wordt voor alle werkgevers en werknemers in de bedrijfstak waarvoor het bedrijfspensioenfonds geldt. Werkgevers en werknemers zijn dan wettelijk gedwongen om deel te nemen in dat fonds. Zij hebben – behoudens een eventueel verleende vrijstelling – niet de vrijheid om een andere pensioenvoorziening op te zetten.

De verplichtstelling betekent eveneens dat een deel van de pensioenverzekeringsmarkt is afgesloten voor andere aanbieders van pensioenregelingen, met name verzekeringsmaatschappijen. Het bedrijfspensioenfonds heeft namelijk dankzij de verplichte deelneming een wettelijk beschermde monopoliepositie en concurrentie ten aanzien van de pensioenregeling uitgesloten. Dit wordt door verzekeraars gezien als een vorm van oneerlijke concurrentie en dat zou doorbroken moeten worden. Alleen natuurlijke concurrentie levert het beste en goedkoopste pensioenproduct op,vinden zij. Wat zou het uitmaken hoe bedrijfspensioenfondsen functioneren, wanneer hun positie toch wettelijk is beschermd?

Louter op basis van economische afwegingen lijkt de kritiek op de verplichte bedrijfspensioenfondsen niet geheel ongegrond te zijn. Het Hof stelt dan ook vast dat de pensioenfondsen in beginsel als ondernemingen zijn aan te merken, waarop het mededingingsrecht van toepassing is. Er is echter meer aan de hand. De verplichtstelling van bedrijfspensioenfondsen wordt namelijk – ook door de Nederlandse overheid – verdedigt wegens de sociale motieven die daar aan ten grondslag liggen. De verplichtstelling maakt het namelijk mogelijk alle werknemers in de bedrijfstak zonder enige vorm van selectie tegen uniforme premie in de pensioenregeling op te nemen. De verplichtstelling vestigt solidariteit.

Zonder de verplichtstelling en de daaraan gekoppelde afgedwongen solidariteit, zou het mogelijk zijn dat de goede risico's zich afwenden van het bedrijfspensioenfonds. Het draagvlak van het bedrijfspensioenfonds zou dan onaanvaardbaar aangetast worden.

Het Europese Hof zegt het zo: ,,Indien het pensioenfonds niet langer het uitsluitend recht had de aanvullende pensioenregeling voor alle werknemers van een bedrijfstak te beheren, zouden ondernemingen met een jong en gezond personeelsbestand, dat ongevaarlijk werk verricht, gunstiger verzekeringsvoorwaarden trachten te bedingen bij particuliere verzekeraars. Door het vertrek van de `goede' risico's zou het bedrijfspensioenfonds met de `slechte' risico's blijven zitten, waardoor de kosten van de werknemerspensioenen, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen met een personeelsbestand op leeftijd, dat gevaarlijk werk verricht, zouden stijgen; aan die werknemers zou het Pensioenfonds dan niet meer tegen aanvaardbare kosten een pensioen kunnen aanbieden.''

Volgens het Hof is er in dit licht een ,,algemeen economisch belang'' van de Nederlandse overheid mee gemoeid dat de verplichtstelling van deelneming in een bedrijfspensioenfonds kan blijven bestaan. Het Hof voegt daar aan toe dat vanwege de mate van solidariteit binnen een bedrijfspensioenfonds, dat fonds ,,minder concurrerend'' werkt dan verzekeringsmaatschappijen. Een vergelijking van de premies tussen verzekeringsmaatschappijen enerzijds en bedrijfspensioenfondsen anderzijds om de gerechtvaardigdheid van de verplichte deelneming te beoordelen, vindt het Hof dan ook niet noodzakelijk.

Met deze duidelijke uitspraak komt een eind aan een procedure die ruim drie jaar in beslag heeft genomen. De uitspraak betekent dat vrije marktwerking op pensioenterrein vooralsnog niet doorgevoerd hoeft te worden.

Prof. Dr. E. Lutjens, hoogleraar Pensioenrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam en advocaaat te Amstelveen. De auteur treedt in de besproken procedures op als advovaat voor de bedrijfspensioenfondsen.