Over geld en schijn en wezen

De discussie over het nieuwe belastingplan gaat vooral over de vermogensrendementsheffing. Ferdinand Grapperhaus vraagt zich af hoe rechtvaardig die heffing is.

Staatssecretaris Vermeend heeft iedereen op het verkeerde been gezet met het meest omstreden deel van zijn nieuwe belastingplan, de vermogensrendementsheffing. Braaf schrijven alle commentatoren hem na, dat de vermogensbelasting wordt afgeschaft en dat in de toekomst de inkomsten uit vermogen (ik laat onderneming, eigen huis en aanmerkelijk belang terzijde) forfaitair op 4 procent van de vermogenswaarde worden vastgesteld, waarover tegen een vast percentage van 30 inkomstenbelasting wordt geheven. Vervolgens leveren zij daarop felle kritiek, zoals de fiscalist prof.dr. J.A.G. van der Geld in samenwerking met zijn collega's dat op 18 september in deze krant deed. Zij stellen, dat met het forfait van 4 procent de werkelijke inkomsten achter de horizon zijn verdwenen, en dat met het inkomstenbelastingpercentage van 30 de draagkrachtgedachte in de prullenmand is gegooid, vooral in de verhouding van de vermogensbezitters tegenover de loontrekkenden.

De werkelijkheid is echter heel anders dan Vermeend het doet voorkomen en van de kritiek klopt dan ook geen snars. In de fiscaliteit gaat het wezen voor de schijn. Als u slim denkt te zijn door uw huis voor een gulden aan uw zoon te verkopen om zo het schenkingsrecht te ontgaan, dan lacht de fiscus u hard uit. Ook bij de fiscale wetgeving moet worden gekeken naar waar het wezenlijk om gaat.

Als we gewapend met dat inzicht niet bereid zijn voetstoots aan te nemen wat het kabinet ons fiscaal wenst voor te schotelen, dan doemt een geheel ander beeld op van het voorstel voor invoering van een vermogensrendementsheffing. In feite wordt de vermogensbelasting niet afgeschaft, maar integendeel sterk verhoogd van 0,7 procent naar 1,2 procent, derhalve met vijfzevende gedeelte en daarnaast de vrijgestelde bedragen drastisch ingekort, terwijl daarentegen juist de inkomstenbelasting voor inkomsten uit vermogen wordt afgeschaft.

Vermeend noemt als belangrijkste motief dat vermogensbezitters tot nu toe met allerlei constructies belastbare vermogensopbrengsten weten om te zetten in niet-belastbare vermogenswinsten en dat met de nieuwe heffing een dam tegen dergelijke kwalijke praktijken gaat worden opgeworpen, zodat niet alleen de rechtvaardigheid wordt gediend, maar ook de schatkist van een regelmatige inkomstenstroom verzekerd wordt. Als we de kinderlijke en wereldvreemde grootspraak van de bewindslieden Zalm en Vermeend, dat fiscaal geknutsel nu nooit meer kan, laten voor wat het is, dan klinkt die motivering voor de vermogensrendementsheffing heel goed, en ik ben het daarmee dan ook volledig eens. Wat Vermeend doet is niet het draagkrachtbeginsel overboord zetten, maar er een nieuwe invulling aan geven.

Het is een dogmatische visie draagkracht alleen maar via het inkomen te willen meten. Anders dan velen menen stamt de draagkrachtfilosofie niet uit de negentiende eeuw, maar is zij van vele eeuwen eerder, en werden in de loop der tijden heel wat verschillende parameters gebruikt om de draagkrachtgedachte gestalte te geven (vermogen, consumptiepatroon, maatschappelijke status, wijze van wonen).

In Nederland zal vanaf 2001 de draagkracht afzonderlijk worden gemeten voor vermogen, onderneming en arbeid (inclusief uitkeringen). Wat is daar eigenlijk tegen, behalve dat het afwijkt van het geijkte patroon? Dat er geen progressie meer is? Maar die is door het grote beslag van de overheid op het nationaal inkomen, waaraan iedereen deelheeft en meebetaalt, feitelijk toch al zo goed als verdwenen. Bovendien bestaat de progressie als gevolg van de afwenteling van de belastingdruk op lonen en prijzen alleen nog maar in schijn, zoals Van der Geld terecht betoogt.

De feitelijke afschaffing door Vermeend van de inkomstenbelasting over inkomsten uit vermogen is vanuit de fiscale theorie goed te verdedigen. De critici van Vermeend doen wel een beroep op de werkelijke inkomsten zoals de fiscus die vaststelt, maar die vormen juist een aanfluiting van het draagkrachtbeginsel. De rente op een obligatie zou in geval van inflatie moeten worden gecorrigeerd met de vermogensachteruitgang van de obligatie als gevolg van de geldontwaarding. Het relatief lage dividend op een groeiaandeel zou moeten worden verhoogd met de verwachting van koersstijging. Er kunnen nog tal van soortgelijke voorbeelden worden bedacht. Ik begrijp, dat het uitvoeringstechnisch niet mogelijk is dergelijke draagkrachtverhogende respectievelijk -verlagende factoren in het fiscale inkomensbegrip te verwerken. Maar dat betekent wel, dat de inkomsten uit vermogen, zoals de fiscale wetgever die omschrijft, geen weerspiegeling van de werkelijke draagkracht van de vermogensbezitter vormen. Die kan echter wel worden gevonden door uit te gaan van de vermogenswaarde. Daarin zijn immers alle draagkrachtbepalende plussen en minnen, die aan vermogen kleven, voor hun contante waarde terug te vinden.

Deze redering leidt ertoe van het begrip `inkomsten uit vermogen' afscheid te nemen, en dat is precies wat Vermeend heeft gedaan. Omdat zo het inkomen als de gemeenschappelijke meetlat voor de belastingheffing ontvalt, moet voor vermogen een zelfstandige redenering worden opgezet om de belastinggrondslag en het tarief te rechtvaardigen. De belastinggrondslag is niet zo moeilijk, dat is de vermogenswaarde, maar hoe zit het met het tarief? Het gekozen percentage van 1,2 lijkt arbitrair, zodat men op de gedachte zou kunnen komen, dat het aantal apostelen is genomen en dat getal door tien is gedeeld.

Het lijkt mij waarschijnlijker dat Vermeend zich heeft gerealiseerd dat belastingheffing over de draagkracht die vermogen oplevert een bovengrens heeft, die bepaald wordt door de mobiliteit van vermogen. Het is misschien bevredigend voor het rechtvaardigheidsgevoel een hoge heffing op het vermogen te leggen, maar als het gevolg is dat het vermogen over de grens trekt, lijkt dat niet zo zinvol. Vermeend heeft zowel in de officiële stukken als in zijn publieke uitlatingen duidelijk gemaakt, dat hij zich bij de keuze van het percentage van 1,2 heeft laten leiden door de toenemende fiscale concurrentie tussen de lidstaten van de Europese Unie, die alle met behulp van een vriendelijk fiscaal regime proberen vermogensbezitters en ondernemingen aan te trekken. Die concurrentie is nog verscherpt doordat in het kader van de Europese Monetaire Unie de meeste lidstaten hun rente- en valutabeleid aan de Europese Centrale Bank hebben afgestaan, zodat voor die concurrentie eigenlijk alleen het fiscale wapen is overgebleven. Natuurlijk ben ik niet gelukkig met het feit, dat zo de vermogensbezitters een deel van hun belastingdruk op minder mobiele grondslagen (arbeid, consumptie, onroerend goed) kunnen afwentelen en het is ook allerminst democratisch, maar het is een fact of life waarvoor Vermeend om Nederland aantrekkelijk te maken en te houden voor binnen- en buitenlandse investeerders kennelijk is gezwicht. De uitkomst, een vermogensrendementsheffing van 1,2 procent, moest voor binnenlands politiek gebruik worden gemotiveerd met het rekensommetje van een forfaitair rendement van 4 procent en een tarief inkomstenbelasting van 30 procent. Daarmee heeft Vermeend de aandacht van de echte problematiek weten af te leiden. Op de vraag of het aldus politiek gemotiveerde percentage van 1,2 rechtvaardig is, blijf ik het antwoord schuldig.

Prof.dr. F.H.M. Grapperhaus is oud-staatssecretaris van Financiën.