Ik wil de wereld op afstand houden

Schrijfster Rascha Peper is gefascineerd door mensen die tegen de klippen op aan hun ideeën blijven vasthouden.

Ze beschouwt zichzelf als een `romantische verteller' en verontschuldigt zich daar onmiddellijk voor. ,,Ik ben geloof ik ouderwets'', zegt Rascha Peper (Driebergen 1949), die onlangs met de mooie, verstilde novelle Dooi in negen jaar tijds haar achtste boek publiceerde. Dooi werd goed ontvangen, al klonk hier en daar de kritiek door dat het niet vernieuwend is. ,,Over het algemeen trek ik me recensies aan, maar hier heb ik geen boodschap aan'', pareert ze haar critci. ,,Ik wil helemaal niet vernieuwend zijn.''

Peper is in zoverre `ouderwets' dat ze nooit te betrappen valt op modieus autobiografisch proza. De personages uit haar verhalen en romans zijn meestal mannen die een passie najagen. In Dooi ligt een kleurloze 58-jarige vertaler van wetenschappelijke boeken wekenlang met zijn woonboot vastgevroren in het IJsselmeer, waar hij bezoek krijgt van een roodharige schaatsenrijdster. Hij wordt verliefd op het meisje, maar als hij haar, nadat de dooi is ingevallen, probeert terug te vinden, blijkt ze niet te bestaan, althans niet als degene die hij heeft gekend.

Pepers goed gedocumenteerde romans zijn vaak gebaseerd op de realiteit. Rico's vleugels (1993) en Een Spaans hondje (1998) ontstonden naar aanleiding van krantenberichten. Russisch Blauw (1995), waarvoor ze de Multatuliprijs kreeg, heeft de geschiedenis van de Russische tsarenfamilie als uitgangspunt. Dooi is pure fictie, maar ze kent wel iemand die met zijn boot vast heeft gelegen in het bevroren IJsselmeer en een eenzame schaatser op bezoek kreeg.

Rascha Peper (pseudoniem van Jenny Strijland) staat op het punt Amsterdam te verruilen voor New York, waar haar man als diplomaat werkzaam is bij de VN-missie. Eerder was hij gestationeerd in onder andere Nigeria en Sarajevo. Daar kon ze niet mee naar toe, omdat zoon David – inmiddels geslaagd voor zijn eindexamen – hier op school zat. Op een mooie nazomerdag praten we in de tuin achter haar huis aan de Amstel over Dooi en over de bronnen van haar schrijverschap.

Ze heeft een paar jaar Nederlands gestudeerd en ging vervolgens lesgeven. ,,Af en toe schreef ik wel eens wat, maar ik ben traag. Er vloeit nooit zomaar een fatsoenlijke zin uit mijn pen, ik schrap alles zestig keer. De reden dat ik serieus werk heb gemaakt van het schrijven is nogal triviaal. In de jaren tachtig ging ik met mijn man in Wenen wonen. Opeens had ik geen baan meer en omdat ik zoveel tijd over had vond ik dat het er maar eens van moest komen. Wat ook een rol speelt, is dat ik toen heel erg ziek ben geweest, kanker. Daar krijg je een schok van, ik had net zo goed dood kunnen gaan. Zonder dat was ik ook wel schrijver geworden, maar het was toch, zoals mijn zoon zou zeggen, een `drive'. Ik ben begonnen met Oesters, dat ik veel te snel naar uitgevers heb gestuurd en terecht meteen terugkreeg. Daarna ben ik verhalen gaan schrijven (gebundeld in De waterdame, 1990), die eerder een uitgever vonden dan mijn roman.''

Symboliek

De ziekte overviel haar zeventien jaar geleden, toen ze 33 was. Ze lacht om de symboliek van die leeftijd, zoals ze – een beetje gegeneerd – lacht bij alles wat maar enigszins dramatisch kan overkomen. Ze heeft het liever niet over zichzelf. Dat lukt pas als ze hardop nadenkt over de vraag waarom het thema van de queeste steeds weer in haar werk terugkeert en of de zoekende personages wellicht iets over haar vertellen.

,,Er zijn mensen die zich helemaal kunnen geven aan iets waarvan iedereen zegt: dat is belachelijk, je moet dat niet doen want het levert niets op, het lukt toch niet. Dat vind ik iets prachtigs. Misschien is het een vorm van compensatie, want ik ben helemaal niet zo. Ik ben erg afstandelijk, wil alles graag plannen, raak in de stress als de dingen niet gaan zoals ik hoopte dat ze zouden gaan en weet daar niet goed raad mee. Ik ben heel erg voorzichtig levend, laat ik het zo zeggen.''

Nu is schrijven geen voorzichtige bezigheid en ze vindt dan ook dat ze zich daarmee voor de leeuwen werpt. ,,Je gooit je hele hebben en houwen op tafel. Alles wat echt belangrijk is, zit in zo'n boek. Daarom vind ik het prettig om gedachtes of gevoelens in de mond of in het hoofd te leggen van personen waarin ik niet zo direct herkenbaar ben. Dat is veilig.''

Ruben Saarloos, de hoofdpersoon van Dooi leeft ook voorzichtig. Hij leidt een tamelijk saai bestaan, dat alleen even opvlamt tijdens zijn avontuur op het ijs. Met zijn geobsedeerde verlangen naar de in het niets verdwenen schaatster dreigt hij in de voetsporen van zijn vader te treden. Saarloos haat zijn vader, omdat de man zijn leven heeft vergooid aan een obsessie: een vergeefse jacht op een uitgestorven gewaande prehistorische vis, de coelacanth. Het lijkt erop dat de held zelf nu eens geen natuurlijke aandrift heeft om iets onbereikbaars na te jagen.

,,Nee, nu is het de zoon van zo iemand, degene die er onder geleden heeft. Ik vond het mooi dat die vader, hoe onverantwoordelijk ook, een veel meeslepender leven heeft geleid dan de zoon. Die zoon is een beetje verstard, cynisch geworden, helemaal niet in staat tot de dingen die zijn vader deed, totdat hij uiteindelijk ook gegrepen wordt door iets waar hij tegen wil en dank bij betrokken raakt.

,,Mijn bedoeling was te laten zien dat de vrouw aan wie Saarloos aan het eind van het boek terugdenkt, niet meer dezelfde vrouw is die hij liefhad. Hij verlegt zijn verliefdheid, hij projecteert die op een vrouw die al een jaar dood is. Hij doet ook niet echt moeite de levende vrouw, die even zijn geliefde was, op te sporen. Als hij dat wilde had hij dat makkelijk gekund. Hij rouwt om een meisje dat hij niet gezien kan hebben.''

Peper bestrijdt dat ze hier een universeel gevoel mee heeft willen uitdrukken, bijvoorbeeld dat mensen meestal verliefd zijn op een beeld in plaats van op iemand zoals die werkelijk is. ,,Natuurlijk is het vaak zo dat het beeld dat je van iemand hebt de plaats gaat innemen van de werkelijke persoon. Maar ik wil nooit zoveel algemeens zeggen.'' Ze aarzelt over de vraag of het verlangen van Saarloos en dat van de hoofdpersonen in haar andere verhalen een vorm van escapisme is, een vlucht uit de alledaagsheid. ,,Het gaat bij mij inderdaad nogal eens over mensen die met het dagelijks leven niet zo goed uit de voeten kunnen, die zich overgeven aan een wereldje dat zij zelf kunnen bestieren, zoals in het geval van het schelpenverzamelende echtpaar uit Rico's vleugels. Zo'n verzameling is een afgebakend geheel waarin je naar volmaaktheid kunt streven en waarmee je de chaotische buitenwereld op een afstand kunt houden.''

Houthandel

De chaotische buitenwereld op afstand – zo is Rascha Peper ook opgegroeid. Ze komt, zegt ze zelf, uit een `zeer keurig, behoudend en rustig gezin'. ,,Mijn vader heeft zijn hele leven gewerkt bij een grote houthandel in Utrecht waar hij als verkoopleider eindigde. En mijn moeder was, zoals de meeste vrouwen in de jaren vijftig, gewoon thuis. Mijn zusje en ik hebben een beschermde jeugd gehad. Wij waren niet godsdienstig thuis en dat heb ik wel gemist. Ik ben een overtuigd atheïst en zal dat – tenzij ik seniel word – ook wel altijd blijven, maar ik was een ernstige zoeker naar verheven waarheden, die ergens te vinden moesten zijn. Driebergen was een gereformeerd dorp en wij woonden tussen de gelovigen in. Als meisje was ik gefascineerd door godsdienst. Ik las ontzettend veel en was al vroeg toe aan Dostojevski. Vooral Schuld en Boete en De gebroeders Karamazov hebben me aangegrepen. Die boeken gingen op een gepassioneerde Slavische manier over een mystiek godsbesef dat ik maar niet kon rijmen met de gereformeerde varkenskoppen die ik zag. Volgens mij moest er ook een andere kant aan het geloof zitten, daar wilde ik achter komen. Daar heb ik dat zoekerige van.''

Op het Instituut voor neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam waar ze in 1968 ging studeren, leverde het zoeken weinig op. De neo-marxistische `godsdienst' die daar werd beleden, sprak haar niet aan.

,,Toch ben ik er niet helemaal aan ontkomen. Het was een enorme cultuurshock, die studie. Je moest meteen achter de stencilmachine of je aanmelden om De Waarheid rond te brengen. Dat heb ik nooit gedaan, maar ik was wel onder de indruk. Er liep een Che Guevara-achtige jongen rond, met precies zo'n baard. Tja, als provinciaal meisje keek ik daar tegenop en ik durfde ook tegen niemand te zeggen dat ik Perk, Boutens en Leopold zo mooi vond, dat deed je niet. Tijdens de colleges leerde je vooral hoe je zo moest moest schrijven dat ook je broeders in de fabriek het konden begrijpen. Ik dacht: dat zal wel heel belangrijk zijn. Maar ik was het wel meteen weer kwijt als ik iemand tegenkwam met wie ik kon praten over Boutens of Van Oudshoorn.''

PSP

Rascha Peper heeft aan deze episode geen uitgesproken `engagement' overgehouden en ook nooit de behoefte gevoeld zich als schrijfster uit te laten over politiek. ,,Daar voel ik mij ook niet deskundig genoeg voor. Ik volg de dingen wel, maar zonder daar een uitgesproken mening over te hebben. Ik was bijvoorbeeld compleet in verwarring toen er eenmaal beslist was over die bombardementen op Kosovo. Jezus, dacht ik, is het nou al zo ver met me gekomen: vroeger stemde ik op de PSP, althans dat heb ik een paar keer gedaan, en nu ben ik het er toch maar mee eens dat dit de enige uitweg is. Ik hecht niet meer waarde aan de mening van schrijvers dan aan die van bijvoorbeeld politici. Waarom zou een schrijver per se iets zinnigs over politiek te zeggen hebben? Schrijvers zijn er om boeken te schrijven.''

Nederlandse auteurs die Peper bewondert zijn Slauerhoff (`een grote favoriet'), Emants, Elsschot, Bordewijk, Nescio en, recenter, Hotz, Voskuil en Maria Stahlie. ,,Met haar voel ik me enigszins verwant. Zo mooi, hoe ze in het titelverhaal van Zondagskinderen, dat modieuze, beetje verveelde gedoe aanpakt dat je `alles ervaren moet hebben'. Schitterend, ik wou dat ik dat geschreven had. Dat denk ik niet vaak, omdat niet alles wat ik mooi vind ook bij mij past. Bij Een nagelaten bekentenis van Emants, dat ik als student las, had ik voor het eerst heel sterk het idee had dat dit een boek was over mijn eigen gedachten. Later herlas ik het en vond er vreemgenoeg niet zoveel meer aan. Maar indertijd voelde ik me net zo als de hoofdpersoon: eenzaam, niet in staat tot contact. Erg herkenbaar.''

Die eenzaamheid beschouwt ze als een wezenskenmerk van zichzelf. ,,Natuurlijk kan je daar niet meer mee aankomen tegenwoordig. Het klinkt te dramatisch. Maar ook al heb je een heel aardige echtgenoot, dan nog kan je dat wezenlijke gevoel van eenzaamheid houden. Dat ligt volkomen aan mij: ik ben een zeer gesloten figuur als het gaat om het vertellen van de dingen die me raken.''

Schrijven heft dat tekort min of meer op. ,,Je schrijft altijd voor een onbekende, misschien onbestaande, ideale lezer. Iemand met wie je contact hebt door middel van dat boek. En dat vind ik ook een van de meest bevredigende kanten van het schrijven. Ik heb altijd het gevoel dat ik in een gesprek niet uit de verf kom, al was het alleen maar omdat ik me geneer om over onderwerpen als eenzaamheid, liefde, doodsangst te spreken. Het wordt zo gauw pathetisch, het is moeilijk daar woorden voor te vinden. Ik heb het nooit over zulke dingen, maar in een boek kan je ze verstoppen, al was het maar in de toon of de sfeer die je oproept. Misschien wil ik alleen maar ontroering overbrengen, melancholie, berusting in het feit dat de dingen nu eenmaal zijn zoals ze zijn. Ik wil in elk geval niets aan de kaak stellen, ik ben helemaal niet scherp of cynisch.''

Rascha Peper: Dooi. Uitg. Veen, 158 blz. Prijs ƒ32,90.

Op de universiteit liep een Che Guevara-achtige jongen rond, daar keek ik als provinciaal meisje tegenop

`Ik wil met mijn boeken helemaal niet vernieuwend zijn'