Het verzet tegen `Frankenstein voedsel' neemt toe

Wetenschappers zijn het niet eens over de risico's van genetisch gemanipuleerd eten. Logisch dat bij burgers het wantrouwen toeneemt. Eerste deel van een serie over biotechnologie en eten.

De agrarische biotechnologie in Europa bevindt zich in een diepe crisis. Transgene gewassen komen Europa voorlopig niet meer in omdat Frankrijk, Denemarken, Luxemburg, Italië en Griekenland sinds een paar maanden alle nieuwe aanvragen voor markttoelatingen blokkeren. Greenpeace vernietigde in Engeland onlangs weer een aantal proefvelden met transgene gewassen. Prins Charles, voorstander van biologische landbouw, bestempelt genetisch gemodificeerd voedsel als Frankenstein food. Bij de burger stijgt de onduidelijkheid en het wantrouwen door berichten over ratten die maagklachten krijgen na het eten van transgene aardappelen. Of monarchvlinders die (in het laboratorium) sterven na het eten van pollenkorrels van transgene maïs.

Die crisis is een welhaast logisch gevolg van het systeem waarmee de veiligheid van genetisch gemanipuleerde gewassen wordt vastgesteld. ,,De procedures in Europa zijn niet ideaal'', zegt dr. René von Schomberg, werkzaam bij Directoraat Generaal I van de Europese Commissie, dat zich onder andere bezighoudt met internationale handel. Vorig jaar schreef Von Schomberg voor het Europees Parlement een rapport over de praktijkervaringen met de Europese richtlijn 90/220, die regels vaststelt voor de omgang met genetisch gemanipuleerde organismen (GGO's). In dat rapport legde hij het probleem omtrent GGO's bloot: er bestaat geen definitie van het begrip `risico'. ,,Voordeel daarvan is dat het je systeem flexibel houdt'', zegt Von Schomberg. ,,Je kunt van geval tot geval nagaan of de onzekerheden acceptabel zijn en je hebt de mogelijkheid om nieuwe wetenschappelijke gegevens in je overweging te betrekken. Maar helaas zijn de lidstaten het oneens over wat acceptabel is. Ze hebben moeite om met deze flexibele regelgeving om te gaan.''

Volgens Von Schomberg weet niemand hoe je het risico van een GGO voor milieu en mens kunt inschatten, of welke dingen je daarvoor moet meten. Dat zorgt voor onduidelijkheid, bij wetenschappers, overheid en uiteindelijk de burger. ,,En de burger wil graag een gevoel van veiligheid, maar dat krijgt hij nu niet'', zegt prof.dr. Lucas Reijnders, hoogleraar Milieukunde aan de Universiteit van Amsterdam.

De onduidelijkheid over het begrip `risico' wijdt Reijnders aan een groot kennisgebrek. Dat blijkt ook uit het rapport van Von Schomberg. ,,De voorspellende ecologie staat nog in de kinderschoenen'', schrijft deze. Volgens Reijnders is er over bijvoorbeeld bodemecologie nog maar bitter weinig bekend. ,,Dat is een zwart gat. Dus is het ook niet duidelijk wat je in de gaten moet houden als je een genetisch gemanipuleerd organisme in een bodem brengt.'' Eenzelfde kennisgebrek is er op het gebied van non-target organismen, die ogenschijnlijk niks te maken hebben met een genetisch gemanipuleerd gewas. Neem de genetisch gemanipuleerde Bt-maïs. Het gewas maakt een gifstof die de stengelboorder, een plaaginsect van maïs, doodt. Maar het gif heeft ook onbedoelde neveneffecten op andere insecten, zoals de monarchvlinder. De pollenkorrels van de maïs zijn giftig voor deze vlinder, zo bleek uit een recent Amerikaans onderzoek. ,,Ook over dit soort effecten is weinig bekend. Iedere ecoloog vat het begrip `risico' anders op. Wat de een beschouwt als een gevaar, vindt de ander acceptabel'', aldus Reijnders.

De milieukundige pleit voor een standaard batterij aan tests waaraan ieder GGO wordt onderworpen. ,,Zoals chemicaliën worden getest, of medicijnen. Er bestaan nu bijvoorbeeld geen goeie tests om na te gaan of een GGO een allergische reactie kan oproepen. Zolang zo'n set algemeen aanvaarde toetsen ontbreekt, hou je gesodemieter.''

Von Schomberg betwijfelt of zo'n standaard serie toetsen er zal komen, zolang niet duidelijk is wát je moet testen. Wel ligt er een voorstel van de Europese Commissie om de richtlijn 90/220 aan te passen. Het voorstel is in juni geaccepteerd door de Europese Ministerraad. Een van de aanpassingen is het instellen van een monitoring-systeem dat GG-producten door de hele productieketen volgt en controleert, tot en met de consument. ,,Als er dan iets fout gaat, kun je het product meteen terugtrekken. Op soortgelijke wijze worden geneesmiddelen getest'', zegt prof.dr. Tjard de Cock Buning, bestuurslid van de Commissie Genetische Modificatie en hoogleraar Dierproefvraagstukken aan de Rijksuniversiteit Leiden. Bovendien maakt de nieuwe richtlijn het mogelijk om ethische aspecten mee te wegen in de beoordeling van een GGO.

Ook van die monitoring is trouwens nog niet duidelijk waar precies op gelet moet worden. ,,De enige manier waarop je dat kunt vaststellen is het doen van lange-termijn proeven met transgene gewassen in het open veld'', zegt de Cock Buning. ,,Je zult je eerst moeten blootstellen aan een risico, wil je er meer over te weten komen.''

Maar zijn alle risico's wel vast te stellen? ,,Nee'', zegt De Cock Buning. ,,Je kunt het risico tot een minimum beperken, maar niet uitsluiten.'' En daar zal de overheid mee moeten leren omgaan, meent Von Schomberg. ,,De risico's van GGO's zijn klein. Mensen accepteren veel grotere gevaren, zoals uitlaatgassen en pesticiden. Ze stellen GGO's op één lijn met bijvoorbeeld dioxine en BSE, maar die brengen veel meer risico's met zich mee. Mensen hebben moeite met het inschatten van risico's .''