Het lange leven van vaderland en vrijheid

Er zijn termen die dagelijks gebezigd worden, maar die in de loop der eeuwen van betekenis veranderd zijn: `beschaving', `burger' en `republiek' bijvoorbeeld. In een reeks kritische studies worden deze begrippen historisch geanalyseerd. Als eerste `vaderland' en `vrijheid'.

Enkele jaren geleden nam het Instituut voor Cultuurgeschiedenis van de Universiteit van Amsterdam het initiatief om een reeks boeken te laten schrijven over wat `Nederlandse begripsgeschiedenis' werd genoemd. Men besloot vijf delen voor te bereiden, waarvan er nu twee zijn verschenen over `Vaderland' en `Vrijheid'. Daarnaast kunnen we studies over `Beschaving', over `Burger' en over `Republiek' tegemoet zien.

W. Velema, een centrale figuur in het omvangrijke collectief van medewerkers, zet in deel I kort uiteen wat het doel is van de onderneming. De oorsprong ervan ligt in Duitsland, waar in 1972 onder leiding van onder anderen de befaamde R. Koselleck begonnen werd met lexicon voor `Geschichtliche Grundbegriffe', die in 1997 werd afgerond met het achtste deel. In dit Historisches Lexicon zur politisch-sozialen Sprache in Deutschland gaat het Koselleck niet om een verzameling van louter woorden, maar om begrippen; hij beoefent `Begriffsgeschichte', geen woordgeschiedenis. Het werk concentreert zich op de periode van 1750 tot 1850, toen volgens Koselleck de door hem gekozen grondbegrippen fundamenteel van betekenis en functie veranderden, namelijk `gemoderniseerd' werden. Van 1985 af werkte bovendien een andere groep historici aan een Handbuchpolitisch-sozialer Grundbegriffe in Frankreich, 1680-1820 waarvan nu zestien delen zijn verschenen. Dat is anders ingericht, en met een ander tijdvak als centraal punt, maar lijkt natuurlijk toch op Kosellecks reeks.

Verering

Inmiddels hebben deze grote ondernemingen ook in Engeland en de Verenigde Staten de belangstelling voor `conceptual history' doen opbloeien, wat Velema die deze zaken uitstekend kent, met vreugde vervult. Hij presenteert dit alles als een antitraditionele vernieuwing die de geschiedwetenschap vooruithelpt. Vandaar dat ook Nederlandse geleerden eraan wilden meewerken. Zij kozen echter een eigen arrangement, dat in vier opzichten van de Duitse voorbeelden afwijkt. Ze gingen niet uit van één bepaalde hypothese; ze legden zich niet op bepaalde methodische uitgangspunten vast; ze beperkten het aantal begrippen drastisch, en ze breidden, ten slotte, het te bestuderen tijdvak uit tot de hele geschiedenis van de `Nederlandse staat'.

De vijf boeken zullen dus geen kopieën zijn van de veel grotere Duitse lexica. Naast praktische redenen is daar, vertelt Velema, ook een principiële voor. De Nederlandse geschiedenis van de zestiende tot eind achttiende eeuw wijkt immers zozeer af van die van Duitsland en Frankrijk dat het de moeite waard is te onderzoeken of zich daar toen begripsontwikkelingen voordeden die in de andere landen ondenkbaar waren. De vraag die men wil beantwoorden is dus of er `een specifiek Nederlands patroon van begripsontwikkeling' bestaat.

Gegeven deze uitgangspunten moet de recensent nagaan welke nieuwe inzichten een begripsgeschiedenis oplevert en of er in Nederland een originele ontwikkeling heeft plaats gevonden. Maar eerst een algemene opmerking: voor wie zijn deze delen bestemd? Zeker niet voor een groot publiek. De auteurs schrijven over het algemeen levendig en toegankelijk proza zonder veel jargon maar zij veronderstellen wel dat de lezer een grondige kennis van het hele Nederlandse verleden bezit. Men moet vrezen dat zelfs menig doctorandus in de geschiedenis er niet zal uitkomen.

Luchthartig

Het peil van alle bijdragen is hoog. Er zijn schitterende stukken bij maar ook de minder briljante zijn stilistisch en compositorisch geslaagd. Het deel over `Vaderland' bevat veertien hoofdstukken, geschreven door acht historici, vier neerlandici, één theoloog, één taalkundige en één kunsthistoricus. De mediëviste Karin Tilman opent de reeks met een lang en wat geprikkeld betoog waarin zij tracht te bewijzen dat begrippen als `vaderland' en `natie' wel degelijk ook in de Middeleeuwen al een zekere betekenis hadden. Maar alle modernisten zijn het er toch over eens dat het woord `vaderland' pas van ongeveer 1750 af duidelijker contouren kreeg en een bredere functie dan in de voorafgaande tijd toen het overigens zeer courant was. Voor 1750 echter werd `vaderland' op een naar onze smaak luchthartige manier gebruikt.

Natuurlijk, het begrip duidde de plaats aan waar men was geboren en getogen, waar men zich thuis voelde, maar of het nu ging om een dorp, een stad, een gewest, de Republiek was lang niet zeker. Zelfs binnen de banden van één tekst kon het in betrekking tot al deze mogelijkheden tegelijk worden aangewend om uit te drukken hoe diep men zich met die lokaliteiten verbonden voelde. S. Groenveld, G. de Bruin en E.O.G. Haitsma Mulier tonen dat aan in subtiele en grondig gedocumenteerde studies, waaruit blijkt dat zij zich over de slordigheid van de terminologie eerder amuseren dan zorgen maken. Marijke Meijer-Drees geeft een interessante kijk op een in de letterkunde van 1650 tot 1750 veel voorkomende verering van de helden die vechten voor het vaderland en er desnoods hun leven voor offeren. (Had men in deze periode van huurlegers en vreemd krijgsvolk overigens veel gelegenheid zijn bloed zo heroïsch te plengen?) Al deze artikelen geven inzicht in de situatie tijdens de glorietijd van de Republiek. Men leidt eruit af dat we er geen goed aan doen in de geest van de vele schrijvers over vaderland en vaderlandsliefde, in die van hun lezers en zeker niet in die van de massa van de bevolking een besef te vermoeden dat wij protonationaal zouden mogen noemen.

Na omstreeks 1750 verandert de situatie. In een originele en rijke studie analyseert Peter van Rooden de terminologie en mentaliteit van de door de overheid in de tweede helft van de achttiende eeuw voorgeschreven jaarlijkse biddagen in de protestantse kerken. Daar werd het volk opgeroepen tot zedelijke regeneratie zodat de nu duidelijk als een nationale morele gemeenschap en eenheid voorgestelde protestantse Republiek Gods steun behouden zal. Ook in de letterkunde kreeg het woord `vaderland' een kwalitatief en kwantitatief veel grotere betekenis dan het gehad had. J.J. Kloek beschrijft dit in al zijn wendingen en afleidingen.

Vervolgens behandelt N.C.F. van Sas de politieke dimensie. Hij vat de vele studies die hij al aan de periode 1763 tot 1813 heeft gewijd samen in een meeslepend betoog. W. van den Berg verdiept zich in de literatuur gedurende de eerste decennia van de negentiende eeuw, J. Noordegraaf behandelt de bijdrage van de taalkundigen en P.B.M. Blaas die van de geschiedschrijving tot het midden van de negentiende eeuw aan de verspreiding van termen als vaderland en natie. Zodoende beslaat de periode van 1750 tot ongeveer 1850 bijna 200 bladzijden tegen 150 bladzijden die de twee-en-een-halve eeuw daarvoor kreeg. In een hoofdstuk van een zestigtal bladzijden sturen Remieg Aerts en Henk te Velde hun scheepje over de oceaan tussen 1840 en 1940, een dappere ontdekkingsreis door een immense hoeveelheid literatuur waarin zij zekere ontwikkelingen ontwaren. Zij constateren dat de betekenis van woorden als `vaderland', `volk' en `natie' in hun periode niet sterk meer veranderde en nog steeds rijkelijk vaag bleef maar de functie ervan in deze tijd van intense natievorming zeer aanmerkelijk groeide. In het Interbellum, besluiten zij, lijkt de terminologie door excessief gebruik tot frase versleten te zijn. Het stuk wemelt van boeiende aperçus en hypotheses en laat de lezer net als het bestudeerde vocabulaire uitgeput achter.

Nederlandse tuin

Wat maakt deze geschiedenis van het begrip vaderland wáár van de door Velema aangeduide ambities? Het boek vormt geen doorbraak en geen fundamentele innovatie, maar het verdiept, verbreedt en nuanceert ons inzicht. Wat betreft de vraag naar de originaliteit van de Nederlandse begripsontwikkeling laat het ons echter volstrekt in het duister. Aan alle medewerkers is blijkbaar opgedragen geen enkele poging tot vergelijking met de grote cultuurlanden om ons heen te ondernemen. Wij lezen nergens en nooit het geringste over de buitenlandse invloed op de begripsontwikkeling. Het hek om Nederland blijft gesloten. Alleen de taalkundige Noordegraaf opent de deur en het is een verrukking de binnenstromende lucht in te ademen.

Het tweede deel van de reeks behandelt de Nederlandse opvattingen over `Vrijheid'. Dat is een veel gecompliceerder begrip dan `Vaderland'. In zijn inleiding legt een van de redacteuren, Velema, uit waarom men meende het tot `politieke' vrijheid te mogen beperken. Op `het terrein van de politieke taal', schrijft hij, komen `de concepten van allerlei gespecialiseerde subtalen (filosofie, theologie, rechten, economie enzovoort) samen'. Dit is even modieus als ongelukkig uitgedrukt maar wanneer daarmee bedoeld wordt (wat helaas niet waarschijnlijk is) dat noties uit de fundamentele wetenschappen in de oppervlakkige politieke discussie doordringen kan men er vrede mee hebben. In dat geval is de zin van de begripsgeschiedenis zonder twijfel de herleiding van de woorden die gebruikt worden in de politiek, tot hun wetenschappelijke wortels. Dat gebeurt in deze delen echter vrijwel nooit en dat is begrijpelijk. Ook in dit boek bleef de Nederlandse tuin hermetisch gesloten zodat de verwijzing naar de ontwikkeling van de genoemde wetenschappen in Europa het zo strikt gedefinieerde kader zou doorbreken. Toch wekt het verbazing dat bij de zeer korte bespreking van de godsdienstvrijheid zelfs geen melding werd gemaakt van Bayle's werk in Rotterdam en van Locke's in Amsterdam geschreven Epistola de tolerantia. Het gekozen isolement werkte ook hier verstikkend. En het resultaat is ook hier dat de lezer niets te weten komt over wat er in de Nederlandse opvattingen nu eigenlijk aan oorspronkelijks te vinden is.

Vrijheid bevat veertien artikelen, geschreven door veertien auteurs. De kwaliteit is goed, de lectuur interessant. Er zijn deskundigen aan hetwoord die vaak ouder werk van hun hand samenvatten, en er is alle reden hun dankbaar te zijn voor hun pittige exposés. In de eerste 180 bladzijden loopt het verhaal tot 1672. Dan springen we door naar de achttiende eeuw, de Koning-Stadhouder en zijn verdediging van de `vrijheden van Europa', blijkbaar als al te exotisch beschouwd, terzijde latend.

Het merkwaardige nu van de hele periode is dat tot diep in de achttiende eeuw inhoudelijk met het tijdens de Opstand opgestelde (en door M. van Gelderen helder beschreven) begrippenapparaat nauwelijks iets van belang gebeurde. In frisse en met mooie citaten opgesmukte studies laten Marijke Spies en H. Duits zien dat in de sterk op politieke kwesties georiënteerde poëzie van 1565 tot 1665 en ook op het toneel van 1570 tot 1700 met grote eloquentie werd gedicht en geredeneerd over de vrijheden die Nederland kenmerken. Iets nieuws probeerden deze letterkundigen beslist niet aan de gedachten toe te voegen. De pointe van G.O. van de Klashorsts zorgvuldige analyse van de pamfletliteratuur tussen 1650 en 1672 – de periode van de `Ware vrijheid' – schijnt te zijn dat ook toen de oude routine werd voortgezet en de modernistische opvattingen van de gebroeders De la Court een anomalie bleven. Iets dergelijks vindt men eveneens in de studie van H.W. Blom over de zeventiende-eeuwse politieke theorie, een studie die opvalt zowel door haar originele aanpak als door haar kortheid, waardoor zij minder effectief wordt dan zij had kunnen zijn. De bloei van de politieke theorie die De la Court, Spinoza, Huber, Noodt hadden bewerkt verlepte al snel in de achttiende eeuw en de discussie over vrijheid keerde braaf op het oude spoor terug. Met andere woorden, dit boek presenteert in honderden bladzijden hetzelfde beperkte begrippenstelsel. Is het vreemd wanneer de lezer er soms moedeloos van wordt?

Volkssoevereiniteit

A.J. Hanou neemt ons mee op een levendige maar hier nauwelijks relevante excursie in zijn studie over `imaginaire reizen' in de achttiende eeuw. Haitsma Mulier verzorgde net als in Vaderland de bijdrage over de geschiedschrijving uit de periode en hij beklemtoont eveneens de taaiheid van het omstreeks 1600 gevestigde geschiedbeeld. Ida Nijenhuis brengt ons in een pittig essay terug naar de materiële grondslag van onze vrijheid, de economie. Haar analyse van de economische denkbeelden in de zeventiende en achttiende eeuw is treffend. F. Grijzenhout behandelde het kunsthistorische aspect en laat de verbeelding van de vrijheid tussen 1570 en 1870 zien. W.R.E. Velema ten slotte hield zijn periode en zijn tekst kort (1780 tot 1795). In een enthousiast gesteld betoog bespreekt hij de transformatie van het oude vrijheidsbegrip in de moderne idee van de volkssoevereiniteit.

Dan slaan we twintig jaar over. Pauline Bieringa vat de draad weer op in 1814 als men van de volkssoevereiniteit niet veel meer wil weten. Zij verschaft mooie informatie over de term `liberalisme' in het vroeg-negentiende-eeuwse Nederlandse spraakgebruik en over de debatten over ministeriële verantwoordelijkheid. H. Spoorman sluit het boek af met een goed geordend exposé over de inzichten van liberalen, antirevolutionairen, rooms-katholieken en socialisten met betrekking tot het probleem van de vrijheid in de tweede helft van de negentiende eeuw. En dan is het 1917 en hebben we algemeen kiesrecht en is het verhaal uit.

Rest de vraag of deze boeken alle erin geïnvesteerde moeite waard zijn geweest. Niet in de zin dat de zo opgezette begripsgeschiedenis ons historisch inzicht wijzigt, want zij vat samen, zij initieert niet. Wel in de zin dat wij hier in een zekere samenhang gebrachte schatten aan informatie gemakkelijk bijeenvinden. Men moet de redacteuren en de auteurs prijzen. Dit is gedisciplineerd, academisch werk, en het zou onaardig zijn deze termen in stevig Hollands te vertalen met schools en onavontuurlijk.

N.C.F. van Sas (red.): Vaderland. Een geschiedenis vanaf de vijftiende eeuw tot 1940. Amsterdam University Press, 477 blz. ƒ79,50.

Deel I van de reeks `Nederlandse Begripsgeschiedenis'.

E.O.G. Haitsma Mulier en W.R.E. Velema (red.): Vrijheid. Een geschiedenis van de vijftiende tot de twintigste eeuw. Amsterdam University Press, 371 blz. ƒ69,50. Deel II van de reeks `Nederlandse Begripsgeschiedenis'.