Het einde van Herbert

Max en Vera luisterden ademloos naar het verhaal van Herbert het spook. Hij had het nog nooit eerder verteld. Dat kon je horen. Het deed hem goed. Af en toe kneep hij Max en Vera in hun schouders. Hij had zijn armen gezellig om hen heen geslagen.

Toen hij klein was, werd Herbert geboren. Hij was niet eerst een baby geweest, maar meteen een spook. Na een tijdje was hij groot. Het ging vrij vlug. Een vader had hij niet. Alleen een moeder en twee tantes. Met z'n drieën waren dat hele enge spoken. Ze hadden een tijdje in een paleis van de koninklijke familie gewoond en twee kleine prinsjes hoteldebotel gemaakt. Uiteindelijk waren ze er door soldaten uitgejaagd.

,,Hè getver,'' zei Vera die het helemaal voor zich zag. Ontzettend gemeen van die prinsen om het leger in te zetten.

,,En toen?'' vroeg Max onmiddellijk verder. Wat had hij eraan dat Vera zoiets zei. Het haalde het spook maar uit zijn ritme. En het veranderde niks aan wat er was gebeurd.

Herbert was geboren op een zolder in een grote huis waar twee dove bejaarden woonden. Zijn moeder en tantes waren daar pas achter gekomen toen het te laat was. Wat ze ook deden, de twee oudjes waren niet aan schrikken te krijgen. Al lieten de damesspoken zich door het plafond zakken, zo de slaapkamer in waar de oudjes lagen te snurken, niemand keek er van op.

,,Nee, ze sliepen,'' flapte Max uit.

,,Maar ze werden er ook niet wakker van,'' riep Herbert uit, ,,en dat kan toch niet?''

Het kon dus wel en het had Herberts jonge jaren goed verknald. Behalve zijn tantes kon hij niemand aan het schrikken maken. Op een nacht was hij weggelopen.

Er scheen een volle maan.

Daar had Herbert geen rekening mee gehouden. De maan was zo vol dat het net zo goed dag had kunnen zijn. Zo licht was het. Hij was op het dak van het oude echtpaar geklommen, en daarna op hun schoorsteen. Er stond een stevige wind, en dat was het goede nieuws. Zonder lang na te denken was hij van de schoorsteen gesprongen. De wind had hem meegezogen. Het duurde niet lang of hij was misselijk. Spoken houden van fladderen en zweven, maar om in een bulderende storm heen en weer te worden geslingerd, is hele andere koek.

Er kwam geen einde aan.

De wind blies Herbert over bossen en rivieren, grote steden, buitenwijken en snelwegen vol met duizenden lichtjes. Hij kwam zelfs over een vliegveld en een grote zee die vol schuimend water zat, heel eng voor een spook, want spoken haten water - ze lossen er in op, als suiker in limonade.

Uiteindelijk was de wind wat minder geworden. Herbert vloog boven een kleine stad die uit allemaal nieuwe huizen bestond. Af en toe waaide er zand bij hem naar binnen. Hij greep zich vast aan de eerste de beste regenpijp die hij zag. Hij was doodmoe. In de verte kraaide een haan. Nu moest hij zich nog haasten ook. Hij klom langs de regenpijp omhoog en kwam bij een klein raampje dat openstond.

,,En dat was hier,'' besloot hij. Hij wees met zijn spokenarm naar het zolderraam.

,,Hoe lang ben je hier al?'' vroeg Vera.

,,Al behoorlijk lang, geloof ik,'' zei Herbert, ,,ik weet het niet.'' Hij keek om zich heen. De zwarte gaten die zijn ogen waren stonden ineens radeloos, want een ontdekt spook kan niet langer spoken. Het was alsof hem dit nu pas te binnen schoot. Hij had zijn verhaal voor niets verteld, nu moest hij weer verhuizen.