Handtekeningen tegen de horror

Onlangs is plechtig herdacht dat op 12 augustus 1949 vier internationale verdragen werden ondertekend waarin het humanitaire oorlogsrecht is vastgelegd. Deze zogeheten Geneefse conventies vormen ongetwijfeld een mijlpaal, al was het alleen omdat zij inmiddels 188 landen binden. Veel te vieren is er echter niet. De afgelopen vijftig jaar heeft een ontstellende variëteit aan oorlogsleed voortgebracht.

Wel kan worden gezegd dat de ellende van de oorlog tegenwoordig beter wordt verslagen dan ooit. De beelden van de verschrikking gaan over de hele wereld. De berichtgeving met de bijbehorende publieke commotie is – tot licht ongenoegen van minister Van Aartsen (Buitenlandse Zaken) in het geval van Oost Timor – een zelfstandige factor geworden in het reservaat van de diplomatie. Men spreekt wel van `CNN-diplomatie', naar de alomtegenwoordige en invloedrijke Amerikaanse nieuwszender.

Dat doet niet af aan de gevoelens van machteloosheid en vertwijfeling van de verslaggever op de grond in het moderne strijdtoneel. De gemeenschappelijke ervaringen van moderne oorlogscorrespondenten zijn de bron geweest voor een opmerkelijk project, een poging de hoofdbestanddelen van het Geneefse recht te verbinden met de gruwelijke realiteiten waarop zij betrekking hebben. Hoewel wij het allemaal (kunnen) weten, is het resultaat, Crimes of War, toch een schokkend compendium van de verschrikkingen van de oorlog met bijdragen van 145 juridische experts, verslaggevers en niet te vergeten fotojournalisten.

Het boek was oorspronkelijk bedoeld als handboek voor oorlogscorrespondenten. Maar net zoals oorlog te belangrijk is om te worden overgelaten aan de generaals, zeggen de redacteuren van het boek, kan oorlogsverslaggeving niet onkritisch worden overgelaten aan de media. Het algemene publiek moet weet hebben van de normatieve lading van de gebeurtenissen waarover de media berichten, zo is hun boodschap.

Daarbij is gekozen voor een alfabetische opzet. Het boek bestaat uit 136 lemma's. Zij zijn onderverdeeld in twee hoofdcategorieën: de oorlogsmisdaden zelf (zoals: verdwijningen, plundering) en het recht (militaire noodzaak, represailles). Daar doorheen loopt een aparte categorie `sleutelbegrippen' (huurlingen, bescherming van journalisten). Verder zijn negen zorgvuldig geselecteerde conflicten opgenomen als case study, zoals de Golf Oorlog, Rwanda. De lexicografische opbouw versterkt het besef van de omvang van de problemen maar komt de overzichtelijkheid niet ten goede. Zeker nu een goede leeswijzer en een afsluitend register ontbreken. De systematiek blijft een kwestie van smaak; waarom krijgt `zelfverdediging' geen eigen ingang en `massagraven' wel? De Geneefse conventies zijn alleen te vinden via het trefwoord `Verenigde Naties'.

De grote trend in het post-Geneefse tijdperk is overigens wel duidelijk: de burgerbevolking komt steeds meer onder vuur te liggen. Er is berekend dat in de Eerste Wereldoorlog negen militairen sneuvelden voor iedere omgekomen burger. In de Tweede Wereldoorlog was deze rato ongeveer gelijk, in moderne gewapende conflicten is hij ruwweg omgedraaid: negen dode burgers voor iedere dode strijder.

Gebruiken van de oorlog

In Bosnië, Tsjetsjenië en Rwanda vechten strijdgroepen en legers tegen de bevolking en niet tegen elkaar. En nu weer in Oost-Timor. Genocide heeft het aanzien van oorlogsmisdaden onuitwisbaar veranderd. De verschuiving van de klassieke `gebruiken van de oorlog' naar het beteugelen van allerlei soorten binnenlandse twisten is de grote uitdaging van het humanitaire recht. Wat bij gewone oorlogen al moeilijk is gebleken is er bij interne conflicten niet makkelijker op geworden. De kloof tussen misdaad en gerechtigheid vormt een rode draad door het compendium.

In één opzicht heeft het recht de uitdaging in elk geval opgenomen. Het is tegenwoordig geen onderwerp meer van discussie dat misdrijven tegen de menselijkheid – de zwaarste categorie van internationale misdaden – evenzeer kunnen worden begaan tijdens interne conflicten als in een reguliere oorlog tussen staten. Deze gelijkstelling is minder eenvoudig dan wellicht lijkt. Want bij interne conflicten is méér dan bij internationale conflicten de soevereiniteit van staten in geding.

Het volkenrechtelijk beginsel van de soevereiniteit is door een Duitse jurist ooit vergeleken met `een vulkaan' waarop het internationale recht zijn gebouw heeft opgetrokken. Het is te gemakkelijk deze oerkracht af te schrijven als een overjarig reliek; soevereiniteit met het bijbehorende beginsel van niet-inmenging in andermans zaken is nog steeds een belangrijk element van de internationale vrede.

De verbreding van het begrip `misdaden tegen de menselijkheid' staat of valt met de mogelijkheid daders voor de rechter te brengen. Juist wat dit betreft is er een doorbraak te noteren: de internationale tribunalen voor het voormalig Joegoslavië en Rwanda. Daar is aanvankelijk nogal sceptisch op gereageerd. Niet geheel zonder reden, gezien de voortdurende moeilijkheid om aangeklaagde leiders als Karadzic en Mladic aan te houden. Maar hun stafchef zit, na zijn arrestatie in Oostenrijk, nu al wel vast in Den Haag. En het Joegoslavië-tribunaal heeft de juridisch zo belangrijke gelijkstelling van interne en internationale conflicten als het gaat om misdrijven tegen de menselijkheid bevestigd.

De aanduiding `tribunaal zonder toekomst' waarmee de internationale hoven voor Joegoslavië en Rwanda werden begroet, miskent dat het recht het vaak moet hebben van een lange adem. Zelfs voor Cambodja komt een tribunaal nu toch dichterbij. En voor Oost-Timor wordt een aanzet gegeven. Dat is van belang door het verwijt van selectieve verontwaardiging, maar het uiteindelijke doel is toch het instellen van een permanent internationaal straftribunaal.

Doorbraak

Dit nieuwe hof was het thema van een symposium ter gelegenheid van het afscheid van de juridisch adviseur van het ministerie van Buitenlandse Zaken A. Bos in december vorig jaar. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld bij de voorbereiding van de diplomatieke conferentie van Rome waar het statuut van het nieuwe hof werd vastgesteld.

Dat was een doorbraak in een impasse die met name door de Koude Oorlog decennia heeft geduurd. Toch laat het charter nog belangrijke vragen open, zo bleek op het symposium, waarvan een verslag in boekvorm is verschenen bij het Asser-Instituut. Zo moet het misdrijf van agressie nog worden ingevuld. Van politiek belang is dat de Verenigde Staten uiteindelijk hebben geweigerd het statuut te tekenen. Maar zij nemen nu wel deel aan de discussie over de uitwerking. Dat geeft toch weer hoop op de toekomst.

Een van de belangrijke winstpunten van het nieuwe hof is dat het in beginsel geen plaats heeft voor een beroep van staatshoofden of regeringsleiders op soevereine immuniteit – daar is dat woord weer – als het gaat om misdrijven tegen het humanitaire recht. Dat is een belangrijke boodschap voor de Pinochets van de toekomst. Toch bevat deze een caveat, waarschuwde de Amerikaanse volkenrechtsgeleerde Teodore Meron op het symposium. Een strafvervolging voor het nieuwe hof is onderworpen aan instemming van de staat op wiens grondgebied of tegen wiens onderdanen de internationale misdrijven zijn begaan.

Chili zou deze toestemming in het geval van Pinochet zeker hebben onthouden. Dit bezwaar kan worden ondervangen doordat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties een eigen bevoegdheid heeft een zaak aanhangig te maken bij het hof, zo werd daar op het symposium tegenin gebracht. Dit deel van de gedachtewisseling ontbreekt overigens in de Bos-bundel, die zich beperkt tot de geschreven, nogal juridische inbreng. Deze bevat wel een intrigerende voorspelling van de Britse collega van Bos, Sir Franklin Berman: `Alleen al de beschikbaarheid van een internationaal straftribunaal zal leiden tot een nieuwe dynamiek in de diplomatie'. Dacht hij al aan Oost-Timor?

Roy Gutman en David Rieff (red.): Crimes of War. What the public should know. Norton, 399 blz. ƒ72,-

Herman A.M. von Hebel e.a. (red.): Reflections on the International Criminal Court. T.M.C. Asser Press, 211 blz. ƒ132,50