Gewantrouwd door Rome

Volgens David Tracy, een rooms-katholieke auteur uit de Verenigde Staten, moet een theoloog voor drie soorten publiek schrijven: het kerkelijke, het academische en wat Tracy aanduidt als `het maatschappelijke veld'. Edward Schillebeeckx, Nederlands bekendste rooms-katholieke theoloog die binnenkort zijn 85ste verjaardag viert, voldoet aan deze eis, ruimschoots zelfs.

Van huis uit Vlaming (nog steeds, wat nationaliteit betreft, een Belg), dominicaan, met voor zijn naam de voor buitenstaanders ietwat raadselachtige lettertjes `Mag.', die gewoon betekenen dat hij de titel `magister' mag dragen, een titel die in de aldaar geldige hiërarchie nog boven die van doctor in de theologie uitreikt – van huis uit dus Vlaming, werd hij in 1958 wegens zijn uitzonderlijke gaven benoemd tot hoogleraar in de theologie aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, een post die hij, wegens emeritaat, in 1983 verliet. Een geleerde dus van formaat, zowel wat de hoeveelheid als de kwaliteit van zijn productie betreft. Omstreden in en gewantrouwd door Rome, naarmate meer erkend in binnen- en buitenland des te meer gewantrouwd. Verschillende keren is er een `zaak-Schillebeeckx' aanhangig gemaakt bij het leergezag. Vandaar reeksen van brochures, geschriften en pamfletten over zijn persoon en werk, zoveel zelfs dat er een Stichting Edward Schillebeeckx in het leven geroepen is om alles wat over hem geschreven is, in binnen- en buitenland, voor verlies en vergetelheid te bewaren.

Over deze man is een theologische biografie in de maak, geschreven door een van zijn meest gedreven leerlingen, Erik Borgman, onder de titel Edward Schillebeeckx: een theoloog in zijn geschiedenis. Die titel eerst maar. Ze is een late uitloper van de jaren zeventig, met hun populaire credo dat de (spirituele) bovenbouw altijd wordt bepaald door de (maatschappelijke) onderbouw. Zo kras gelooft Borgman het nu ook niet meer, maar de moeite die hij doet om heel eenvoudig te vertellen dat ook Schillebeeckx een kind van zijn tijd was (en is), en dat iemands oeuvre dus de tijd weerspiegelt waarin het is ontstaan, verraadt bijna dat hij het jammer vindt niet méér te kunnen zeggen. Totdat het de lezer te binnen schiet dat hij te maken heeft met een boek over de rooms-katholieke geloofsleer. Want het leergezag mag duizendmaal denken dat de kerkleer tijdloos is, en dus onveranderlijk, de theologen – een eigen kaste in de rooms-katholieke kerk – zijn dat in elk geval niet, bedoelt Borgman, en daarmee scoort hij zijn punt.

Wie de moeite er voor over heeft, krijgt van Borgman de historische context die het werk van Schillebeeckx begeleidt bijna per oeuvre uitgevlooid. Omgekeerd gebeurt dat ook met de theologie van Schillebeeckx, binnen de context waarin de diverse studies (en dat zijn er nogal wat) zijn ontstaan. Borgmans complete boek zal uit twee delen bestaan, en dat is wel wat veel voor de doorsnee lezer, als we zien dat het eerste deel – tot en met het Tweede Vaticaans Concilie – reeds 480 bladzijden beslaat.

Deze theologische biografie begint dan ook al heel vroeg, met een korte beschrijving van Schillebeeckx' jeugd, want naar diens eigen woorden moet je iemands jeugd nooit weglaten als je een mens wilt begrijpen. Op het Concilie speelde Schillebeeckx overigens de belangrijke rol van peritus (expert), in dienst van het Nederlandse episcopaat. Het meest interessante deel van zijn leven, de tijd waarin hij eerst recht zijn faam verwierf als strijdbare, maar niet ongehoorzame opponent van het kerkelijk leergezag, moet dus nog komen. Voor mijn gevoel is dat ook de tijd geworden waarin Schillebeeckx' publiek zich uitbreidde van academisch en kerkelijk tot dat van de hele samenleving. Of de samenleving het ook allemaal las en begreep, is een andere vraag.

Aandoenlijk

In dit eerste deel schetst Borgman de wordingsgeschiedenis van de theoloog Schillebeeckx. We zien een aandoenlijk fotootje van de kleine Edward, aan de hand van zijn vader, en lezen een al even aandoenlijk briefje aan zijn ouders, waarin hij zich verontrust toont over het verval van geloof, moraal en maatschappij, en zichzelf als de strijder ziet die het geloof in God weer vast in het zadel zal zetten.

Ik lach daar niet om, het hoort bij de Nederlandse wereld van voor de Tweede Wereldoorlog, elke theoloog uit die tijd zal dit soort briefjes aan ouders of vrienden uit zijn bewaardoos weten op te diepen. Het markeert de grote afstand tussen toen en nu, en laat tegelijk zien hoe er niets verandert, als je vanuit de klassieke kerkelijke positie de wereld om je heen bekijkt. Alom verval – zo leren de kerken het al eeuwen.

Schillebeeckx denkt later wel anders, in dat opzicht is er een breuk, en wel meer dan één zelfs. Toch loopt er mijns inziens een rode draad door het werk van Schillebeeckx, die zich tot op vandaag manifesteert in wat hij schrijft. Ze bestaat in een overtuiging die de kracht heeft van een christelijke geloofsvisie op wat `de wereld' wordt genoemd. Maar een geloofsvisie zou geen geloofsvisie zijn als ze niet werd aangevochten, en ook Schillebeeckx moet haar per acte van geloof telkens heroveren. Ik kan deze rode draad nog het beste laten oplichten via een passage over de priesterarbeiders in Frankrijk, een pastoraal experiment waar Schillebeeckx via zijn contacten met de theoloog Chenu althans emotioneel nauw bij betrokken is geweest. Op de zee van dogmatische vertogen waar Borgmans boek de lezer op trakteert (daar is het voor bedoeld, en niets dan goeds erover), hoef ik dan niet in te gaan.

In de encycliek Humani Generis (1950) veroordeelde de toenmalige paus de piesterarbeiders van Parijs, die de toog uittrokken en in de fabrieken naast de werklieden wilden gaan staan. Het gaat mij er niet om die strategie te prijzen of te veroordelen. Het project is vanaf het begin omstreden geweest. De opzet was stellig priesters solidair te laten zijn met de werkman, ze laten delen in het vreugdeloze bestaan van een Parijse fabrieksarbeider en kijken wat in zo'n onkerkelijke context van kerkelijkheid overblijft.

Het was dus ook (en misschien wel vooral) een experiment. Maar buitenstaanders (ook de `ouvriers' zelf trouwens) konden zich afvragen of het nu ging om de bekering van de priester tot een eerlijker geloof danwel om bekering van de arbeider tot de aloude moederkerk. De paus vond het in elk geval een slechte zet, zoiets als het in de kaart spelen van het modernisme. Daarmee werd dan bedoeld dat je zo de grens tussen kerk en wereld, bovennatuurlijke genade en natuur (het jargon is wezenlijk voor de achterliggende idee) verwaterde, zo niet uitwiste. Kijk naar de kleding van de priesterarbeiders: dat ze de toog uittrokken, daaraan kon je nu precies zien dat er een principe op het spel stond. Want wie kon nu nog zien wie er priester was, en wie niet? Kerk werd als wereld, genade als natuur, en dat zou het einde van het bestaansrecht van de kerk betekenen.

Optimistisch

`Schillebeeckx is er nooit de persoon naar geweest om een frontale confrontatie met het leergezag te zoeken, ook niet in zijn latere loopbaan', om Borgman te citeren. Inderdaad, daarvoor gaat er achter zijn grote geleerdheid een veel te vriendelijke en warme persoonlijkheid schuil. Hij heeft zelfs goede woorden voor de pauselijke encycliek over. Maar tegelijk tekent zich in zijn reactie af, wat al eerder voor hem vaststond: die scheiding tussen het `natuurlijke leven' en de `bovennatuurlijke genade' laat geen ruimte om het christendom ook een culturele gestalte te geven. Toch, dat moet kunnen, de God van de genade (of wat minder kerkelijk: de God van het heil) moet niet alleen in de kerk en haar sacramenten aan te treffen zijn, maar ook daarbuiten. Onder hetzelfde model als Hij zich in de sacramenten laat vinden: in het ene wordt het andere aangetroffen, in de puur natuurlijke werkelijkheid zien we de heilsmacht van God.

Daaruit vloeit dan een – voor de rooms-katholieke gelovige zo kenmerkende – optimistische visie op de wereld voort: door de aanwezigheid van de God van het heil in de wereld, is de wereld pas een leefbare plaats voor mensen. Schillebeeckx heeft zich in zijn boeken over Jezus, met name in Gerechtigheid en Liefde, op die manier tot de cultuur van zijn eigen tijd gewend. Hij doet dat op een wat optimistischer manier dan het protestantisme, dat het heil van God niet overal ziet oplichten. Het laatste definieert `heil', denk ik, anders, zet wat sneller een vraagteken bij die `leefbare wereld' waarin de God van alle genade te vinden zou zijn. Maar ik laat dit punt verder voor wat het is. Ook voor Schillebeeckx zelf zal het reilen en zeilen van onze wereld stellig een aanvechting betekenen.

Er is een ander typerend verschil tussen rooms-katholiek en protestants. In de roomskatholieke theologie is `vindplaats van God' een hoofdterm: waar treffen wij Hem aan? In de sacramenten, in Jezus, en ten slotte ook `ergens' in onze wereld. De protestantse vroomheid sprak liever van een tijd, niet zozeer van vindplaats, maar van `vindenstijd'. De tijd waarin het God behaagt Zich te laten vinden. Een verschil in vroomheid, dat ook overduidelijk Schillebeeckx' werk raakt. Al dient de lezer van dit boek te weten dat we niet Schillebeeckx zelf lezen, maar Borgman over Schillebeeckx.

Erik Borgman: Edward Schillebeeckx: een theoloog in zijn geschiedenis. Deel I: Een katholieke cultuurtheologie (1914-1965). Nelissen, 480 blz. ƒ57,50