Gek op Heel Erg Verdriet

Het is altijd gevaarlijk om dingen in het algemeen te zeggen over literatuur en literaire ontwikkelingen, want meestal zijn algemeenheden niet waar. Toch is het verleidelijk om soms eens `een ontwikkeling' of `een tendens' vast te stellen. Vooruit dus: het lijkt wel of kinderboekenschrijvers almaar gekker worden op verdriet en op psychologie. Liefst geen gewoon verdriet maar Heel Erg Verdriet, verdriet dat te maken heeft met dood, incest, mishandeling, verwaarlozing, krankzinnigheid. Heel Erg Verdriet dus, dat bovendien met een enorme hoeveelheid psychologische inzichten te lijf wordt gegaan – men hoeft niet vreemd op te kijken als kleine kinderen wijsneuzig vertellen waarom ze zo reageren als ze doen en wat de beste therapie is, of als ze een enorm gevoel aan de dag leggen voor de diepere drijfveren van anderen.

Genoeg algemeenheden. Ik las twee boeken die in allerlei opzichten van elkaar verschillen, maar die wel allebei, zoals zo vaak de laatste jaren, over Heel Erg Verdriet gaan. Het ene is van Gerda De Preter De schommel. Daarin leert Marie een nieuw buurmeisje kennen, Marthe. Ze zijn binnen de kortste keren vriendinnen maar het is ook meteen duidelijk dat Marthe een geheim heeft. Een Vreselijk Geheim. Marie gaat er meteen psychologisch tegenaan. Ze raadt Marthe aan om haar problemen aan de schommel te vertellen. Dat helpt Marie altijd geweldig. Voor Marthe blijkt het niet helemaal de oplossing. Al snel wordt ons duidelijk dat Marthe door haar vader geslagen wordt, wellicht na de dood van Marthes moeder, dat blijft vaag, al zijn er veel hevige reacties van Marthe als het woord `dood' valt. Het duurt een poosje voor Marie ook weet wat er aan de hand is. Dat komt pas als Marthe haar de blauwe plekken op haar benen heeft laten zien. De meisjes kijken samen naar de wolken en ze zien daarin een boze man, een hond, een politieman en een kind. ```Ze jagen de boze man weg,' zegt Marie gauw.

`Nee,' zegt Marthe, `ze maken hem wakker.'

`En dán jagen ze hem weg,' houdt Marie vol.

`Nee,' zegt Marthe, `ze blijven altijd bij hem.'

Net zolang tot hij niet boos meer is.''

Marthe begrijpt haar vader: hij is boos omdat hij ongelukkig is, ze moet volhouden. Marie zegt, in verhulde wolkentaal: `Dan gaat het onweren. En dan ga je eraan.' Marthe antwoordt `Niet als je een plaats hebt om te schuilen.' Allemaal in kleine zinnetjes onder elkaar. Dat is al jaren ontzaglijk in de mode in literaire of would be literaire kinderboeken. Het is allemaal poëzie. Zulke korte zinnetjes staan strak, koel, gestileerd. Alleen zou je dan ook al die toelichtingen bij de manier waarop iets gezegd wordt, woorden als `zachtjes', `stug', `fluistert' en `houdt ze koppig vol', weg moeten laten.

Kleine Cecilia van Kathleen Vereecken is een ander geval. Dat is gelukkig in gewone zinnen achter elkaar geschreven. Het gaat over een meisje dat maar zo'n tachtig centimeter groot is, al is ze al dertien. Het speelt zo te merken aan het eind van de vorige eeuw en Cecilia wordt door haar moeder verkocht als attractie op de kermis. Dat is natuurlijk vreselijk, en de te kleine vernederde Cecilia die probeert zo onaangedaan mogelijk te blijven is ook wel aandoenlijk af en toe, maar ook hier weer doet een overdaad aan expliciete psychologie afbreuk aan het boek. Niets mag voor zichzelf spreken, alles wordt toegelicht. `Cecilia aarzelt even. Alice wil weten wat ze voelt. Geeft ze er echt om, of is ze alleen maar nieuwsgierig, zoals iedereen? Het voelt akelig naakt.' Nu dat weten we dan tenminste allemaal maar zeker. Het is je reinste tranentrekkerij. Geen gevoel of het wordt benoemd, en dan ook nog allemaal in die slappe welzijnswerkerige taal waarin je iedereen voortdurend elk leed hoort uitsmeren, opblazen, doorlichten en analyseren.

Waarom moet het allemaal zo hevig? Het lijkt wel of men, naarmate men ergere dingen wil aanpakken, steeds onmachtiger gaat schrijven. Of zijn het juist de onmachtige schrijvers die dat gebrek proberen te verhullen door met iets Heel Ergs op de proppen te komen? Ik verheug me op weer eens een boek over aangeklede muizen die moeten verhuizen of zo. Of iets met een heks. Maar vooral op een schrijver die plezier heeft in taal.

Gerda de Preter: De schommel. Met tekeningen van Sylvia Weve. Querido, niet genummerd, ƒ24,95

Kathleen Vereecken: Kleine Cecilia. Querido, 92 blz. ƒ22,90

    • Marjoleine de Vos