Een spook in de oase

In Nederland bestaan geen grote maatschappelijke thema's meer. Iedereen is met zichzelf bezig. Deel 38 in Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

In Disgrace, de nieuwe roman van J.M. Coetzee, worden een vader en zijn dochter ergens op het platteland van Zuid-Afrika het slachtoffer van een brute overval. De vader wordt in brand gestoken, de dochter wordt door drie mannen verkracht. Naderhand probeert de man zijn dochter ervan te overtuigen haar boerenleven op te geven, of er in ieder geval een tijdje tussenuit te gaan. Waarom gaat ze haar familie en vrienden in Nederland niet opzoeken?

Hij zegt: ,,Holland may not be the most exciting of places to live, but at least it doesn't breed nightmares.''

Niet bepaald een opwindende plek, Holland, maar je krijgt er tenminste geen nachtmerries.

Bestaat er een dodelijker aanbeveling? Nederland als kuuroord, waar je leven zich voltrekt in een weldadig soort onbeduidendheid, waar de scherpe kanten van het bestaan zijn weggeveild en je geest zich kan koesteren in de aangename verdoving van de nietszeggendheid.

Mindere schrijvers dan Coetzee doen het tegenovergestelde: ze schilderen Nederland in hun detectives en vliegveldbestsellers af als een gevaarlijk opwindende plek, waar de moraal zo los is dat de Hollanders zelfs het extreemste menselijke gedrag vanzelfsprekend zijn gaan vinden. Slecht geïnformeerd als die schetsen ook zijn, en karikaturaal, ze bezorgen de Nederlander die ze leest een prettig vrijbuitersgevoel. Die Hollanders toch! En wanneer je buitenlandse logés die 's avonds nog even een ommetje wilden maken, hasjrokend of pillenslikkend in hun auto aantreft, zie je een glimp van een Nederland waar het leven spannend is.

Maar je weet beter, Coetzee heeft gelijk. Er gebeurt van alles in Nederland, maar dramatisch wil het niet meer worden. Er zijn geen heftige politieke tegenstellingen meer, geen allesbeheersende schandalen, geen discussies over moraal, geen racistische politieke partijen, geen linkse extremisten. De ideologische strijd is ten einde.

Wat er ook niet is, en er is geen krant waarin dat niet verzucht wordt, is het intellectueel debat. In Nederland wordt geen debat gevoerd over een bepaalde zaak, er wordt gedebatteerd over de vraag waarom er geen debat is. Er zijn hier geen intellectuelen die zich over Kosovo buigen, er zijn columnisten die discussiëren over de vraag of intellectuelen zich over Kosovo moeten buigen. Geen wonder dat er zo'n groot verlangen naar engagement heerst, het geeft eigenlijk niet waarmee. Als Nederland toch eens geëngageerde schrijvers zou hebben! Er zijn er wel een paar, maar die hebben zich geëngageerd met de toestanden in Suriname of in België, nooit eens met Nederland.

De Vlaamse schrijver Tom Lanoye zegt dat hij zich in Nederland dood zou vervelen.

Hier zijn alleen zielige varkens.

Maar kijk naar de landen waar het leven wèl opwindend is. Beschouw hun nachtmerries, luister naar hun debatten. Op dat moment wordt het je pas echt duidelijk hoezeer je Nederlander bent. De meeste maatschappelijke kwesties waarmee over de grens zo hevig geworsteld wordt, zijn hier allang opgelost! De Amerikaanse obsessie met seksuele moraal, de strijd om Europa in Engeland, het infantiele Vlaamse debat over eigenheid, de Franse worsteling met hun regentencultuur, het is een hoop lawaai, het is ongetwijfeld opwindend – maar om er nu ook daadwerkelijk aan deel te moeten nemen? In Nederland wordt met verlangende weemoed naar het engagement van een schrijver als Lanoye gekeken, maar wie heeft zin om zijn tijd te verspillen aan een werkelijke strijd tegen de boerenfascisten van het Vlaams Blok? In Gent heb ik de Vlaamse journalist Geert van Istendael eens een even lange als felle boutade over de Antwerpenaar als verderfelijk mensensoort horen afsteken – allemaal heel weldenkend en anti-discriminatoir bedoeld, maar zijn retoriek en kluchtige argumentatie verschilde opvallend weinig van die van het Vlaams Blok. Een Amsterdammer die Rotterdam aanklaagt, dat is toch meer iets voor het Camerettenfestival.

Daarom blijft het Nederlandse verlangen naar engagement zo abstract. Geen haar op je hoofd die eraan denkt je werkelijk in een debat te begeven waarin je moet uitleggen dat allochtonen stemrecht moeten krijgen, dat homoseksuelen echt volwaardige burgers kunnen zijn, dat Albanese Kosovaren geen slechtere mensen zijn dan Serviërs of andersom en dat je geen bommen op onschuldige burgers moet gooien. Die stations zijn in Nederland gepasseerd. Er zijn geen barricades om te beklimmen. Er zijn geen volksvijanden die als incarnatie van het kwaad kunnen dienen, alleen ledepoppen. In een samenleving waarin Frits Bolkestein als racist en Theo Van Gogh als antisemiet moeten dienen, valt nog maar weinig te debatteren.

Maar zijn er dan helemaal geen nachtmerries in Nederland? Coetzee heeft het in dat zinnetje in Disgrace over nachtmerries van de bekende soort, het openrijten van oude wonden, het plotselinge sektarische geweld, de waanzin van de rassenonlusten, de verschrikkingen van de politieke chaos, de verwrongen identiteit, allemaal gruweldromen waar hier maar weinig mensen door geplaagd worden. Maar in dat eerste deel van de zin die de vader tegen zijn dochter uitspreekt, openbaart zich wel degelijk een authentiek Hollandse nachtmerrie: die van de betekenisloosheid.

Het is geen nieuwe nachtmerrie. Eline Vere en Frits van Egters werden er al door gefnuikt; het onvermogen om met illusies te leven, om je onvoorwaardelijk aan een Grote Zaak te geven, een diepgeworteld ongeloof in de zin van het debat. Nu de Nederlandse samenleving tot een oase van maatschappelijke welvaart en rust is geworden en alle gretige onheilsprofeten telkens maar weer ongelijk krijgen, doemt het spook van de zinloosheid weer in zijn volle glorie op.

Was het geweld op straat maar zinvol! Dat wil zeggen, ingegeven door motieven met een handvat, racisme of homohaat of desnoods liefdesverdriet. Konden de gebeurtenissen in ons leven maar in een herkenbare context geplaatst worden, desnoods een religieuze, zodat het allemaal weer ergens voor zou dienen!

In een land waar nergens meer over gesproken wordt, kun je het eigenlijk alleen maar over jezelf hebben. Critici van het veelbesproken reality-programma Big Brother, klagen dat een afgesloten huis met negen doodgewone mensen maar een saai plaatje oplevert, want wat deze mensen ook zeggen of doen, het gaat nergens over. Persoonlijke ditjes en datjes, er is geen onderwerp, geen discussie, geen standpunt, dus ook geen drama. Er is helemaal niks. Wie zegt dat een homo erbij of een zwarte of een bejaarde of een intellectueel wèl iets los zou maken, heeft er niets van begrepen. In Nederland heeft een homo, een zwarte, een bejaarde of een intellectueel ook nog maar één onderwerp: zichzelf.

De mensen in het huis van Big Brother weerspiegelen dan misschien niet de Hollandse samenleving, ze staan voor iets veel groters: de Hollandse geestesgesteldheid. Het programma is de Hollandse nachtmerrie pur sang – en dat heeft niks te maken met de wanhopige manipulaties van de makers, die ieder drama tussen hun grijpgrage vingers door zien glippen.

Je zit opgesloten met Hollandse medemensen, die het beste met de wereld voor hebben, maar het nergens meer over kunnen hebben. Iedere reden tot een debat, tot maatschappelijke of ideologische bevlogenheid ontbreekt, omdat jullie allemaal beter weten. Misschien kunnen er meningsverschillen ontstaan, maar echt stellingen kunnen niet betrokken worden; retoriek is onmogelijk. Het enige onderwerp wat nog prikkelt, is seks. Maar daar valt sinds de voltooiing van de seksuele revolutie ook niet meer over te debatteren: het emancipatiegeloof uit de jaren zeventig waaruit voorlichtingsprogramma's als Open en Bloot voortkwamen (`Vandaag gaan we het hebben over neu-ken'), ontbreekt in Sexquiz on the beach. Je zit wat bij elkaar, doet weinig spectaculaire ontboezemingen, praat over wie het eerst zijn broek zal uittrekken.

Al na een paar dagen weet je het zeker. De hel, dat zijn niet de anderen, het is niet de buitenwereld, je bent het zelf.

    • Bas Heijne