De voors en tegens van zelfmoord

Degenen die er de mond van vol hebben doen het zelden – dat is een veelgehoorde bewering over zelfmoord. De ware zelfmoordenaar zou juist in stilte springen, schieten, zich verhangen of een overdosis nemen. Russell Artus lijkt zich in Onpersoonlijkheid, zijn derde boek, bij deze gedachte aan te sluiten. Het zijn niet de nihilisten, de sceptici die zich luid beklagen over de `stationsplee' of de `valkuil' die het leven zou zijn, maar juist de ogenschijnlijk optimistische, zorgzame types die er bij hem een eind aan maken. In de roman woedt een ware discussie over de voors en tegens van zelfdoding, zonder dat er ten slotte een morele overwinnaar uit de bus komt. Artus lijkt zich niet op het standpunt van de stille lijder te stellen die ten slotte de knoop maar doorhakt, maar ook niet op dat van de cynicus die alleen in theorie `het imperfecte bestaan' achter zich wil laten. Waarschijnlijk staat hij royaal boven de partijen die hij hier aan het woord laat.

Artus liet een paar jaar geleden in een interview in Trouw weten dat de dood als eindpunt van het leven voor hem niet bestaat. Hij gelooft naar eigen zeggen in een nooit uitdovend, eeuwig voortdurend bewustzijn. De verschillen tussen leven en dood zijn voor hem niet meer dan gradueel. Het is dan ook vooral het tussengebied, het onzichtbare terrein van de menselijke geest, waar Artus zich graag ophoudt. Al vanaf zijn romandebuut Zonder wijzers (1995) wordt er voortdurend gezocht naar de eigen of andermans identiteit, naar drijfveren en naar zoiets als de zin van het leven. Naarstig proberen zijn personages hun grenzen als het ware op te rekken, verder te kijken dan hun ene leven lang is. In de verhalenbundel Een onbeschreven dag (1996) wordt regelmatig een blik geworpen in de afgrond. Met dit `leunen tegen de dood' hoopt men de spanning in het leven terug te kunnen brengen. Want het leven, zo stelt een van zijn personages ontevreden vast, zou voornamelijk bestaan uit `krijgen wat je niet wilde en willen wat je niet kon krijgen'.

In Onpersoonlijkheid laat Artus een sekte opereren die deze vaststelling tot een levensprogramma heeft opgewaardeerd. Onder leiding van een soort goeroe probeert een groep jongeren, van wie de meesten beschadigd zijn door een onbegrepen zelfmoordgeval in de familie, om consequent datgene te doen wat ze niet willen en na te laten wat ze wel willen. Het is de bedoeling dat daarmee onverschilligheid wordt aangekweekt voor alles wat groeit en bloeit. Op deze manier hoopt de leider ze klaar te stomen voor het grote werk: afstand te doen van hun wil en van hun persoonlijkheid en daarmee uiteindelijk van hun leven, bij voorkeur samen met een vriend of vriendin van buiten de sekte. In de praktijk zijn het vooral deze vrienden en vriendinnen die het loodje leggen, na een soort hersenspoeling door de zorgvuldige geïnstrueerde cursist. De cursisten zelf bloeien in het algemeen juist op als hun missie succesvol verloopt: ze willen dan niet meer dood, maar hun kruistocht met dubbele ijver voortzetten. Een ondergrondse zelfmoordbrigade, zo zou je deze sekte kunnen omschrijven. De goeroe, eenvoudig Gerard geheten, ontpopt zich tot een eigentijdse Blauwbaard. In een geheim kamertje houdt hij een portrettengalerij bij van de slachtoffers die onder zijn bewind zijn gevallen.

In de beschrijving van de groepssessies zitten zeker huiveringwekkende elementen. De vrienden, zoals ze eufemistisch worden genoemd, worden tegen elkaar opgehitst en kunnen elkaars bloed wel drinken. Maar de groepsdynamiek doet verder toch vooral geforceerd aan. De tirades en de gedragingen van Gerard zijn net iets te schril om geloofwaardig te worden. Hij is en blijft vooral een schertsfiguur, over wie niet uit te maken valt of hij nu een machtswellusteling is, een sadist, een seksmaniak of een gewone crimineel, uit op geld en levens.

Naar de drijfveren van de overige personages, binnen en buiten de sekte, kan men ook alleen maar gissen. De roman draait vooral om één dramatisch praktijkgeval, de zelfmoord van de zestienjarige Liedewij, een veelbelovende, opgewekte en oppassende gymnasiaste. Over haar motieven om van de veertiende etage te springen wordt men niet veel wijzer. Heeft haar oudere, waaghalzerige zus het slechte voorbeeld gegeven? Beroofde de gewetenloze vriend, een sektelid, haar van al haar idealen? Men komt er niet echt achter, ook niet na een uitputtende en steeds maar weer hernomen poging tot analyse van het geval.

Daarbij voegt zich dan ook nog eens een weinig pregnante stijl, waarin de woorden elkaar eerder in de weg lijken te zitten dan met elkaar een soepel verband te vormen. En overal is de dialoogvorm aanwezig, met veel machteloze toevoegingen van het type `roept hij uit', `reageert hij kalm', `dring ik aan', `schamperde ik', `vroeg ik ongelovig'of `vermande hij zich tenslotte'. De tieners in de roman gebruiken volwassen woorden als `jegens', `implicaties', `empathie', `extrapoleren' en `classicificeren' en zij drukken zich, net als de schrijver zelf, vaak moeizaam en omslachtig (`ten aanzien van') uit. Daartegenover staan dan wel weer enkele geestige passages, zoals die over de asielhonden, de lievelingsdieren van de hoofdpersoon, en meer in het bijzonder over hun potentiële baasjes. Die zijn geneigd aan deze zielenpoten meer eisen te stellen dan aan een jonge hond uit een willekeurig nest: `Hij moet bruin met zwart zijn of helemaal wit. Een vlek op zijn borst hebben of juist niet. Een korte snuit hebben, lange flaporen, dikke poten, geen staart. Niet te zwaar zijn, niet te licht, sportief en toch rustig en absoluut niet nerveus. Hij moet luisteren, niet om alles blaffen, wel om alles blaffen, de postbode met rust laten, de postbode achter de broek zitten...'

Maar zulke mooie passages gaan toch ten onder in het oeverloze geheel dat Onpersoonlijkheid vormt. Op zich is het mooi en gedurfd om in bijna vijfhonderd bladzijden niet meer dan een tipje van de zelfmoordsluier op te willen lichten. De achterliggende gedachte moet wel zijn dat de mens in het algemeen, en het meisje Liedewij in het bijzonder, een te schimmige persoonlijkheid heeft om door wie dan ook doorgrond te kunnen worden. Maar het is een andere kwestie of die uitputtende analyse zelf wel al die moeite waard is. Daar wringt voor mij de schoen. Artus heeft een ware karrenvracht aan details, nuanceringen, omcirkelingen, vooruit- en terugblikken aangesleept om de achtergrond van het meisje en het hoe en wat van haar wanhoopsdaad dichterbij te brengen. En dus worden wij tot in het absurde geïnformeerd over van alles en nog wat: haar dieren- en natuurliefde, haar relatie tot ouders, zus en vriend, haar make-up, haar kleding, dansles, schoolprestaties, sportieve verrichtingen, en nog veel meer. Het gaf mij regelmatig het gevoel in een tweederangs detective te zijn beland: teveel aanwijzingen om ooit te kunnen onthouden. En, dat vooral: niet interessant en niet terzake genoeg om ooit te wíllen onthouden.

Russell Artus: Onpersoonlijkheid. Meulenhoff, 472 blz. ƒ49,90