De pretmutatie

Hebben de Batavieren weleens pret gehad? We mogen aannemen dat ze van tijd tot tijd lachten, maar we weten niet waarom. In de hunebedden en koepelgraven is, voorzover ik heb geleerd, geen gereedschap met een komisch doel gevonden. Pret is een product van de beschaving, maar wanneer is het als pret herkend, en wanneer is men ermee begonnen de pret doelbewust te veroorzaken? Iedereen weet wel ongeveer wat hem overkomt als hij het heeft, maar hoe definieer je de pret. Heeft Freud zich erover uitgelaten? Er is geen psychologie, geen geschiedenis van de pret.

Misschien zullen we er meer van begrijpen als we eerst nagaan wat het niet is. Kijken naar een blijspel, een film met de Marx Brothers, het lezen van Gulliver's reizen, een stukje van Carmiggelt kunnen iemand aan het lachen maken. Dat is telkens een ander soort lachen, maar geen pret. Je hebt komieken, cabaretiers, moppenvertellers, schrijvers die hun publiek in een stuiplach kunnen brengen. Het publiek heeft lol; geen pret. In al deze gevallen gaat aan het lachen een begrijpen van een situatie met een zekere ingewikkeldheid vooraf. Pas als, zoals het op het ogenblik wordt genoemd `het kwartje gevallen is', begint het lachen. Er is altijd een tegenstelling die moet worden doorzien. Gebeurt dat, dan begint het lachen. Arthur Koestler gebruikt bij zijn verhandeling over de humor een cartoon. Parijs in de bezetting. Op een caféterras zitten twee Duitse officieren. Er komt een sjlemielig mannetje langs, houdt met zijn linkerhand zijn jasje open, strekt de rechterarm omhoog en zegt: `Heil Hitler! Filthy postcards?' De Duitsers kijken zeer dom. Niet iedereen vindt het leuk; misschien moet je er de bezetting voor hebben meegemaakt, waaruit dan blijkt dat dit soort lachen enige voorkennis veronderstelt.

Wie pret heeft hoeft niet na te denken, hoe snel en kort ook, en bijna niets te weten. In Rozendaal had je de Bedriegertjes. In de tijd dat mijn moeder een klein meisje was, bestond het (of zo stel ik het me uit haar verhalen voor) als een betegeld pleintje waarop je kon wandelen. Als je dat deed begonnen plotseling verborgen fonteintjes de bezoekers nat te sproeien. Pret. Op kinderfeestjes werd de pret veroorzaakt door zaklopen en koekhappen. Speeltuinen met een draaimolen, een wip en een schommel zijn pretinstallaties. Coney Island, met zijn verroeste machines en vermolmde, door planten overwoekerde roller coaster is een ruïne van de pretindustrie, die eigenlijk voor de geschiedenis in deze toestand moet worden bewaard.

Het eerste echte pretpark in Nederland is, veronderstel ik, de Efteling. We wisten toen nog niet dat de kabouters met hun `Papier hier' en `Kleine boodschap' de voorhoede waren van de volgende industriële revolutie. Dat is niet ironisch bedoeld. Disneyland is de eerste multinational van de pret. Of worden de volken van het westen gekoloniseerd? Of laten ze zich koloniseren?

In haar artikel Dikke pret in deze krant, een paar weken geleden, beschrijft Tracy Metz hoe in ons werelddeel leisurepark na leisurepark wordt gebouwd. Het doet denken aan de Romeinen die, ter duurzame onderwerping van vreemde volken overal hun burchten en versterkte nederzettingen bouwden. Lugdunum van de pret. Haar artikel kan worden gelezen als het verslag van een veldtocht. Er komen een paar architecten aan het woord, de vestingsbouwers van het nieuwe millennium om zo te zeggen. ,,`Door de digitalisering van de cultuur wordt de architectuur steeds verder losgekoppeld van de omgeving', merkt architect Hans Mommaas op. `De fysieke omgeving van de leisure boxen wordt steeds dunner. Het is een schil van elektronica en lichte architectuur die snel aan te passen zijn aan de veranderende wensen van de consument. Je haalt die box leeg en zet er een nieuw thema in, een nieuwe ervaring.' Zijn collega Harry Abels: `Het is een architectuur waarbij je niet weken op een detail zit te ploeteren. Je moet kunnen meesurfen met de omloopsnelheid van deze materie.''' Vandaag subtropisch oerwoud, morgen de planeet Mars, voegt Metz eraan toe.

De manier waarop de nieuwe pretvestingarchitecten hun werk beschrijven heeft al zijn eigen meeslependheid. Daar gaat het hier niet om. Macht, ideologie, godsdienst drukken zich uit in bouwwerken: kerken, paleizen, burchten, schouwburgen. De leisurebox is kerk, burcht, paleis, schouwburg, het Colosseum van de pretmens.

Pret is een soort vreugd, machinaal opgewekt. Pret hoort tot deze maatschappij als het sociaal realisme tot de Sovjet Unie. Laatste vraag: is het veroorzaken van pret een vorm van kunst? Dan is het pret hebben een vorm van kunstgenot. Neil Postman schreef: `We amuseren ons dood'. Dat was cultuurkritiek, bedoeld om een misstand te verhelpen. Dit is geen misstand meer maar een toestand. Laten we er niet omheen draaien: na 1989 is een `nieuwe mens' ontstaan, niet van het ene ogenblik op het andere maar geleidelijk. Het is een mutatie die we nu langzamerhand ontdekken.

    • H.J.A. Hofland