De modderpoten van Caesar

Honderden, zo niet duizenden historische romans over de klassieke oudheid moeten er de afgelopen eeuw geschreven zijn. Meestal gaan die over de Groten der Aarde: de Iskanders, de Hadrianussen en de Ikken-Claudius. Soms beschrijven ze het leven van bekende of minder bekende kunstenaars, zoals de epigrammendichter Leonidas, die vorig jaar door Helene Nolthenius vereeuwigd werd in Voortgeschopt als een steen. Maar bijna altijd zijn het mannen die de hoofdrol spelen; het perspectief van de vrouw is – net als tot voor kort in de geschiedschrijving – zelden gekozen. Ik kan me tenminste niet herinneren ooit een passage als de volgende gelezen te hebben:

`In het atrium liepen mannen rond. [...] Het waren voor het merendeel soldaten, vuil, bezweet, ruw en duidelijk moe. [...] Ze schreeuwden om eten, vroegen de weg naar de latrine, of, als dat te veel moeite was, renden naar buiten om tegen de eerste de beste boom te pissen. Ik herkende er niet een en niemand groette me. Ze hadden allemaal zware modderige laarzen aan. De vloer zat onder de modder, hoe kregen we die weer schoon? Als het mozaïek maar niet te veel te lijden had van al die laarzen.'

De `Ik' in dit fragment is Terentia, de vrouw van de Romeinse redenaar-staatsman Cicero en de hoofdpersoon van het verrassende debuut van de Engels-Nederlandse Adelheid van Beuningen (1932). Terentia is een goed onderwerp voor een historische roman, en niet alleen omdat ze zulk levensecht commentaar kan geven op de beslommeringen van een Romeinse huisvrouw. Als echtgenote van Cicero en matrona uit de hogere stand bevond ze zich in het brandpunt van wat wij kennen als de Ondergang van de Republiek: de halve eeuw van burgeroorlogen die in 27 voor Christus zou leiden tot de stichting van een keizerrijk door Octavianus Augustus. In antieke bronnen – de brieven van Cicero, het geschiedwerk van Plutarchus en Cassius Dio – valt te lezen dat Terentia zich anders dan de meeste Romeinse vrouwen niet alleen bemoeide met huis en haard maar ook met de politiek; tegelijkertijd is er zo weinig over haar bekend dat een romancier met een gerust hart de fantasie aan het werk kan zetten.

Dat laatste heeft de als historica geschoolde Van Beuningen gedaan. Op een overtuigende manier heeft ze Terentia's leven verweven met de grote gebeurtenissen van haar tijd. Terentia komt als meisje indirect in aanraking met het meedogenloze optreden van de dictator Sulla (81-79); ze steunt haar halfzuster, de Vestaalse maagd Fabia, wanneer die aangeklaagd wordt wegens incestus met de charismatische edelman Catilina (73); ze leeft met Cicero mee wanneer hij de kroon zet op zijn carrière door in het jaar van zijn consulaat de `samenzwering van Catilina' de kop in te drukken (63); ze is persoonlijk aanwezig wanneer de adellijke rouwdouw Clodius een schandaal verwekt door in vrouwenkleren het Bona Dea-festival te ontheiligen (62); en ze maakt mee hoe Cicero in de jaren vijftig een zielig speelballetje wordt van rivaliserende bendes en vechtende generaals. Op haar weg door de geschiedenis ontmoet ze bovendien Caesar (wiens modderpoten haar mozaïek bezoedelen), Clodia (de veile seksbom die model stond voor de Lesbia uit de gedichten van Catullus), en een dozijn andere beroemde Romeinen.

Gelukkig is Terentia geen bloedeloos boek geworden, onleesbaar door een bombardement aan historische feiten en weetjes. Zoals de ondertitel, `Roman over een klassiek huwelijk', al doet vermoeden, is Van Beuningens roman in de eerste plaats een portrait of a marriage – van het moment dat Terentia als vijftienjarig meisje wordt uitgehuwelijkt aan de bijna twee keer zo oude Cicero tot de dag dat zij door hem verstoten wordt omdat hij haar verdenkt van financiële malversaties. In de tussenliggende dertig jaar zien we hoe de relatie van de echtelieden steeds verandert. Zoals gebruikelijk in Romeinse huwelijken, die niet uit liefde maar om politiek-financiële redenen gesloten werden, starten Cicero en Terentia met wederzijdse onverschilligheid. Wanneer Cicero's ster als advocaat en politicus rijst, wordt de relatie beter en groeit zelfs liefde, die weer afbrokkelt als de tijden slechter worden. `Het zou vastlopen in bittere haat en ruzie,' schrijft Terentia. `Een persoonlijke burgeroorlog die niet minder verschrikkelijk was dan die welke de Republiek te gronde heeft gericht.'

Cicero komt uit de roman naar voren als de Romeinse draaikont die we ook kennen uit zijn brieven (waarop Van Beuningen zich ten dele baseerde): een zelfingenomen jammeraar, die meende een leven lang te kunnen teren op zijn krachtdadige optreden tijdens het revolutionaire complot van Catilina, maar ook een onzekere idealist die ondanks alles sympathie afdwingt. Het aardige is dat Terentia, die het verhaal van haar huwelijk pas schrijft na de moord op Cicero (in 43 voor Christus), ook zichzelf niet spaart. Ze ontleedt haar eigen mateloze ambitie, haar snobisme en haar jaloerse aard even hard als die van haar tijdgenoten. De door intuïtieve haat getekende verhouding tussen Terentia en haar dochter Tullia (de oogappel van vader Cicero), of haar hypocriete verwerping van hartstocht en begeerte, zouden ook stof kunnen zijn voor een moderne roman. Terentia is vast geworteld in de Romeinse tijd, maar wordt, zoals het een goed boek betaamt, beheerst door eeuwige thema's.

Een historische roman krijgt meerwaarde als ook de niet in geschiedenis geïnteresseerde lezer er plezier aan kan beleven. Of dat voor Terentia opgaat, kan ik niet helemaal bepalen: naast de lotgevallen van Cicero en zijn familie waren het vooral de scènes uit het dagelijkse leven – een reis naar het platteland, het inrichten van een villa, bezoek aan het theater – die tot mijn verbeelding spraken. Dat neemt niet weg dat Van Beuningens stijl plastisch genoeg is om iedereen te boeien, ook de lezer die nog geen Clodius van Claudius kan onderscheiden. Wie een voorbeeld wil, hoeft alleen maar de passage te lezen waarin Terentia een bezoek brengt aan de sloppen van Rome: een scène van stank, armoe en vervreemding. Of anders de eerste zinnen van het eerste hoofdstuk (`Een aangekondigde dood'): `Zijn hoofd is aan de Rostra genageld. En zijn rechterhand ernaast. Hoe ``nagel' je een hoofd? Aan de oren? Die van hem waren groot genoeg.'

Een hip boek is Terentia niet. Het tempo ligt laag, het proza is statig en poespasloos, naar grapjes of ironie zul je lang zoeken, en af en toe schemert het Engelse origineel – Van Beuningen is half-Nederlands en schreef haar boek in de taal van haar vader – door de vertaling heen. Maar de tragiek van Terentia (en Cicero) is er niet minder om, en de late Romeinse Republiek komt in al zijn wreedheid en willekeur tot leven. Als Terentia haar verhaal afsluit, in 43 voor Christus, blijf je achter met het verlangen om te weten hoe het haar verder is vergaan. Een mooi onderwerp voor een vervolgroman. Er is stof genoeg; per slot van rekening wordt over Terentia verteld dat ze pas op 103-jarige leeftijd overleed.

Adelheid van Beuningen: Terentia. Roman over een klassiek huwelijk. Uit het Engels vertaald door Hanka de Haas-de Roos.

Podium, 382 blz. ƒ49,90