De lage drempel van het doden

`Wat is oorlog nu anders dan mensen doden?', vroeg luitenant William Calley zich vertwijfeld af nadat een militaire rechtbank in de Verenigde Staten hem op beschuldiging van moord met voorbedachten rade tot levenslange gevangenisstraf had veroordeeld. Precies drie jaar eerder, in de vroege morgen van 16 maart 1968, trok Calley aan het hoofd van de Charlie Compagnie het Vietnamese dorpje My Lai binnen. Nog voor de lunch vermoordden ze vijfhonderd ongewapende burgers – mannen, vrouwen en kinderen.

Calley stond niet alleen in zijn verontwaardiging over het vonnis. Kort na de uitspraak vond een solidariteitsbijeenkomst plaats in Columbus, Georgia, waar een dominee de menigte toesprak met de gevleugelde woorden: 'Tweeduizend jaar geleden werd Jezus Christus gekruisigd. Ik geloof niet dat we nog een kruisiging nodig hebben van een man genaamd Rusty Calley.' Binnen 24 uur ontving president Richard Nixon meer dan 200.000 brieven en telegrammen – ze vroegen alle om de vrijlating van Calley.

De affaire My Lai was uitzonderlijk. De slachtpartij zelf, zo getuigden degenen die het konden weten, de jongens die in de Vietnamoorlog vochten, was een unieke noch op zichzelf staande gebeurtenis. De Charlie Compagnie onderscheidde zich nauwelijks van andere Amerikaanse eenheden in Vietnam. De soldaten deden wat hun was opgedragen. Een enkeling beleefde een bijzonder genoegen aan het moorden. My Lai was vooral bijzonder, omdat het een symbool werd van een impopulaire oorlog.

De moordpartij op enkele honderden Vietnamese burgers staat onder het kopje `oorlogsmisdaden' in Joanna Bourke's An intimate history of killing, hoewel de scheidslijn tussen de wandaad in My Lai en het gelegitimeerde doden waar oorlogen doorgaans om draaien, dun is. An intimate history of killing gaat over het doden in gevechten van man-tot-man in de twintigste eeuw. De titel is zeker geen pleonasme, nu de Amerikanen met lasergeleide projectielen, afgevuurd door computergestuurde vliegtuigen, doelen van dertig centimeter in doorsnee op twaalf kilometer afstand weten te raken. Bourke beperkt zich tot drie groepen militairen – Amerikanen, Britten en Australiërs – en tot drie conflicten die aan de moderne hightech-luchtoorlog voorafgingen: de Eerste en Tweede Wereldoorlog en de strijd in Vietnam. Ze vertelt het verhaal van de gewone soldaat in zijn dagelijkse omgeving, bezig met de taak waarvoor hij is opgeleid: het elimineren van de tegenstander.

Bourke heeft uitgesproken opvattingen. Het is een misvatting, stelt ze, dat het handwerk van de oorlog een afschuwelijke ervaring zou zijn. Het is onjuist te veronderstellen dat de gewone soldaat eigenlijk moet worden gedwongen tot het doden van de tegenstander en dat hij diepe wonden (in de overdrachtelijke zin van het woord) overhoudt aan zijn ervaringen op het slagveld. De ervaring leert, aldus Bourke, dat beschaafde mannen (en een enkele vrouw) gemakkelijk enthousiaste moordenaars worden. De `primitieve daad' van het doden verschaft zin en betekenis, zoniet een gevoel van welbehagen, aan het krijgsbedrijf. Het doden van de tegenstander is meer dan de veiligste manier om te overleven, aldus Bourke, het is het levenselixer van de militair.

De uitgangspunten van An intimate history of killing worden bij lange na niet zo algemeen gedeeld als Bourke doet voorkomen. Vanaf het moment dat de Amerikaanse psycholoog Stanley Milgram zijn onderzoek deed naar de mate waarin willekeurige passanten bereid waren om hun onbekende personen op gezag van de wetenschap te pijnigen met stroomstoten, weten we zeker hoe makkelijk het is om gewone burgers tot ongewoon wreed gedrag aan te zetten. Historische studies die sindsdien zijn verschenen bevestigen het beeld. De Canadese historicus Christopher Browning schreef de geschiedenis van reservebataljon 101 van de Duitse Ordnungspolizei tijdens de Tweede Wereldoorlog, Ordinary men. Leraren, brandweermannen, politieagenten en overige burgermannen werden weggehaald uit hun alledaagse omgeving en naar de Poolse provincie gestuurd, om zich daar onverwijld aan het handwerk van de Holocaust te zetten. Als de `gewone mannen' van bataljon 101 zich al vrijwel moeiteloos aanpasten aan de `uitzonderlijke oorlogsdaad' waarvoor zij het opruimen van de Poolse joden hielden, hoe makkelijk moet de getrainde soldaat van Bourke zich dan niet hebben gevoegd in het bloedige ambacht van het krijgsbedrijf?

Agitatie en propaganda, tucht en discipline, conformisme, kameraadschap, macht en heroïek – er zijn talloze redenen waarom mannen en vrouwen in oorlogstijd overgaan tot onvoorstelbare wreedheden. Bourke gaat echter nog een stapje verder. Zij associeert moorden en overige wreedheden in oorlogstijd met plezier en genot. In de herinneringen van haar soldaten lezen we steeds weer over de vreugde van het doden. Gorgeously satisfying, was de reactie van een Britse soldaat die in de Eerste Wereldoorlog zijn eerste Duitser neerstak. `Ik geloof dat de meeste mannen die op het slagveld zijn geweest moeten toegeven, als ze eerlijk zijn, dat ze er ergens dol op waren', citeert Bourke een Vietnam-veteraan. Moorden is een zaak van `grootse en verleidende schoonheid'. Het is oorlog zoals oorlog moet zijn. Neem de bajonet, lange tijd het symbool van de krijgskunst, van de mythe van de strijder. Er zijn in de Eerste Wereldoorlog waarschijnlijk maar zeer weinig Duitse soldaten overleden aan de gevolgen van een vijandelijke bajonetsteek, maar tot ver in de jaren dertig bleven Britse militairen zich bekwamen in het vechten met dit wapen. Een doodsteek met de bajonet stond bovenaan op de krijgskundige rangorde. Het gaf een extra dimensie aan de status van de strijder. Met veertien oren en vingers van Vietcong-strijders om zijn nek verschafte de Amerikaanse soldaat Arthur Woodley Jr. zich gratis drugs, drank en seks. `Ze vielen je niet lastig. Ze zagen het: deze man is een killer. Het was een symbool van krijgshaftige mannelijkheid.'

Toch is het begaan van extreme wreedheden geen krijgskundige vanzelfsprekendheid. Niet alle tegenstanders in de drie door Bourke beschreven oorlogen werden op dezelfde wijze behandeld. Het bleek een Amerikaans soldaat aanzienlijk minder moeite te kosten een Japanner of Vietnamees de ledematen af te snijden dan een Duitser te verminken. `Ontmenselijking' van de tegenstander, op basis van racistische of anderszins ideologische overtuigingen, ligt bijna altijd ten grondslag aan uitzonderlijke oorlogswreedheden. Kleine, snelle Japanners en Vietnamezen met spleetogen leenden zich gemakkkelijker voor dergelijke stereotypering dan blonde, rijzige Germanen met blauwe ogen. In dat licht is het opmerkelijk dat Bourke schrijft dat de Amerikanen in het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog zich in Duitsland overgaven aan een `orgie van verkrachting en moord'. Het blijft een losse opmerking, die niet door bewijs wordt gestaafd.

Bourke hanteert een directe stijl van schrijven, zonder verfraaiingen, dicht op de bronnen, maar weinig analytisch. An intimate history of killing is een aaneenschakeling van korte persoonlijke herinneringen en anekdotes, die Bourke met sympathie en mededogen vertelt. Bourke laat haar talloze bronnen goeddeels voor zichzelf spreken. Dat levert twee problemen op: representativiteit en tegenstrijdigheid. Uit de honderden anekdotes kunnen de meest uiteenlopende conclusies worden getrokken. Geen twee ervaringen zijn precies hetzelfde. Het is een beetje teleurstellend dat de lezer wat dat betreft na bijna zeshonderd bladzijden niet zo heel veel verder is gekomen.

Joanna Bourke: An intimate history of killing. Face-to-face killing in twentieth-century warfare. Granta,

564 blz. ƒ94,50

    • A.W.M. Gerrits