De kolonel die uit de kou kwam

Vijftien jaar lang smokkelde Vasili Mitrochin documenten uit het hoofdkwartier van de KGB. Nu zijn ze samengevat in een boek, dat ten minste één bejaarde Britse atoomspionne heeft ontmaskerd. Maar wat was de waarde van Hola, en Lola, op de internationale spionage-markt?

Een boek van duizend pagina's kun je maar beter niet frontaal aanvallen. Eén omtrekkende beweging loopt via de fictie van John le Carré.

In zijn roman Tinker, Tailor, Soldier, Spy (1974) moet de morsig-gewiekste anti-spion George Smiley een `mol' opsporen. Die heeft zich in de top van de Britse geheime dienst ingegraven en blijkt al jaren vitale informatie aan de Russen te hebben doorgespeeld. Smiley's naspeuringen brengen hem op een verregende avond terug bij juffrouw Sachs, voorheen hoofd documentatie van MI-6. Ze woont met VUT op kamers in Oxford en heeft weinig meer om handen behalve het kruiswoordraadsel van The Times, haar oude foto-albums en de fles.

Als Connie Sachs haar geheugen bij Smiley heeft uitgestort, zegt ze, net iets te vastberaden: ``Kijk me aan. Het waren goede tijden, do you hear? Een échte tijd. Engelsen konden toen trots zijn. Waren ze nu maar trots.'

Connie's `toen' ligt ergens in de vroege jaren zestig. Londen aarzelde tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten, leverancier van de Polaris-raket die van het weggesmolten Britse Empire opnieuw een wereldmacht kon maken. De eerste rassenrellen in Brixton waren achter de rug. Het schandaal rond de Britse minister van Defensie John Profumo en een callgirl die het ook met een Russische diplomaat hield, moest nog uitbreken. En Kim Philby, de aristocratische chef van de Britse contraspionage in de Tweede Wereldoorlog, daarna de belangrijkste schakel met de Amerikaanse friends van de CIA en al dertig jaar een Sovjet-mol, moest nog overlopen. Goede tijden? Wat Connie Sachs eigenlijk zegt, is dat die toen al voorgoed voorbij waren.

Dat gold voor beide partijen. De dood van de Sovjet-Unie zou nog jaren duren, maar één man zag toen al dat het systeem slecht was en in terminaal verval verkeerde. Dat was kolonel Vasili Mitrochin, hoofdarchivaris van de KGB, de Russische staatsveiligheidsdienst. Toen de afdeling buitenland van zijn dienst begin jaren zeventig uit het centrum van Moskou verhuisde naar de buitenwijken, sloot hij een levensverzekering af. Uit het archief dat hij moest ordenen nam hij vanaf dat moment vijftien jaar lang elke dag documenten mee naar huis, die hij langs ongeïnteresseerde bewakers smokkelde in zijn kleren of zijn schoenen. Thuis schreef hij die documenten met de hand over of vatte ze samen. Zijn aantekeningen verstopte hij in melkbussen onder de vloer van zijn datsja, waar hij in het weekeinde heen ging.

Geheugen

Geen fictie haalt het bij de feiten, heeft Le Carré geschreven. Hij zou het opnieuw kunnen schrijven. De Rus met een van de kostbaarste geheugens van het land, een spin in het web van de grootste communistische inlichtingenmachine, een man die de KGB nooit zou kunnen verspelen aan het Westen, steelt honderdduizenden documenten en loopt over. In 1992 meldde hij zich bij de Britse ambassade in Riga, de hoofdstad van Letland. Mitrochin werd naar Londen gesmokkeld. De documenten volgden later, nadat een Britse agent ze uit de tuin van Mitrochins datsja had opgegraven.

Afgelopen maandag keerde Mitrochins levensverzekering uit, toen zijn archief, althans een boek dat op een deel ervan is gebaseerd, werd gepubliceerd. Van de uitgeweken Rus (77) zal The Mitrokhin Archive, The KGB in Europe and The West naar verwachting een miljonair maken. Al is het de vraag of hij zijn geld in het openbaar kan besteden. Zijn verblijfplaats wordt angstvallig geheim gehouden en hij heeft gezegd voor zijn leven te vrezen. Een rijke toekomst wacht ook de 58-jarige hoofdauteur, de historicus Christopher Andrew, die eerder boeken schreef met en over de belangrijkste Russische dubbelspion, Oleg Gordievsky en die als voorzitter van de British Intelligence Study Group al jaren deel uitmaakt van het Britse inlichtingen-establishment. De papieren liggen opgeslagen in het nieuwe, futuristische hoofdkwartier van MI-5 op de zuidoever van de Theems in Londen. Drie jaar lang reisde Andrew elke week een aantal dagen vanuit Cambridge heen en weer om ze te bestuderen.

De spindoctors van de diensten hadden met dit boek goede sier willen maken, maar in plaats daarvan heeft het nu al een spoor van vernieling getrokken. MI-5, de binnenlandse inlichtingendienst, zal bijvoorbeeld moeten uitleggen waarom een aantal misstanden uit het boek nooit aan de betreffende ministers is voorgelegd. Ja, waarom de publicatie van het boek als een verrassing komt, zelfs voor het onafhankelijke comité dat vorig jaar is opgericht om te voorkomen dat de diensten keer op keer een slechte pers halen.

Het laatste schandaal betrof ex-agent Richard Tomlinson, die zijn ontslag uit de dienst wegens instabiliteit vanuit het buitenland aanvecht en die verantwoordelijk heet voor de publicatie van een lijst met Britse spionnen op het Internet. Tomlinson zou ook de agent zijn die Mitrochins melkbussen opgroef.

De Britse pers, Rupert Murdochs Times voorop, heeft de afgelopen twee weken veel werk gemaakt van de Britse goudkorrels die er in de papierberg scholen, zoals `Hola', de 87-jarige atoomspionne Melita Norwood die nog steeds op vrije voeten is, de communistische Morning Star rondbrengt (naar wat de laatste twee abonnees moeten zijn) en Coop-thee drinkt uit een Che Guevara-mok.

Dat is begrijpelijk. Het `exfiltreren' van Mitrochin en zijn papieren was een Brits huzarenstukje en de Britse geheime diensten MI-5 en MI-6 (de buitenlandse inlichtingendienst) hebben het materiaal zorgvuldig geschift voor Andrew aan het werk kon. Maar het boek hoeft niet met een al te Britse bril te worden gelezen. Het bevat zeker zoveel informatie over het werk van de KGB in de Verenigde Staten en continentaal Europa. In die zin maakt het de ondertitel waar. Of het de ultieme geschiedschrijving is, kan worden betwijfeld. The Mitrokhin Archive is een weergaloze bundel feiten, feitjes, grote lijnen, subplotten en anekdotische intermezzo's. Het vliegt kris-kras over de continenten en door de tijd, is soms pijnlijk precies, soms achteloos en vluchtig, meeslepend en dor, soms pijnlijk en soms om te huilen van het lachen. Zoals de code waarmee een KGB-controleur contact moet maken met een Britse informant.

``Goedendag, hebben wij elkaar niet onlangs ontmoet in het warenhuis Harrods?'

``Nee, het was bij Selfridge's.'

Het is onbegonnen werk dit pak van Sjaalman samen te vatten. Helemaal lezen is het enige wat erop zit. Over de Cuba-crisis, over de Italiaanse communistische partij, over het gebrek aan goede agenten in Amerika kort na de oorlog, over het KGB-complot om de uitgeweken balletdanser Rudolf Noerejev te verminken, over het bewapenen van de IRA, over de agenten `Liszt', `Luther' en `Lola', over de lastercampagnes tegen dissidenten als Andrej Sacharov, over de geweldige schade die de Amerikaanse dubbelspion Aldrich Ames veroorzaakte, over het bijna-gelijk van communistenhater McCarthy, over de gruwelijke ontdekking door Moskou dat het KGB-hoofd in Londen al jaren voor de Britten werkte, een poging Bondskanselier Willy Brandt te chanteren en over een poging te voorkomen dat prins Charles op de Britse troon zou komen. Dat laatste lijkt trouwens een uiterst succesvolle operatie te zijn geweest.

Heeft de lezer na deze pil een voldaan gevoel? Nee. De eerste en simpelste reden is de vorm van dit boek. De titel is in zekere zin misleidend: dit is niet het archief zelf, maar een boek over documenten die zelf ook weer zijn overgeschreven.

Mitrochin, tijdens het circus vóór de publicatie en op de omslag opgevoerd als `co-auteur', blijkt in de praktijk alleen te zijn `geraadpleegd' en het is professor Andrew die namens hem duizend pagina's het woord voert. Vaak – misschien te vaak – is dat goed te zien. Zo wemelt het van zinnen als: `In Mitrochins aantekeningen staat dat ten minste vier Franse inlichtingenofficieren en een voormalig hoofd van de Sûreté Générale in de periode 1963-6 actieve KGB-agenten waren, maar ze geven weinig details.' Hoe weinig dan wel? Op zulke momenten hoop je dat Andrew weet wat het beste is voor de lezer.

Informatiebron

Te vaak ook laat de tekst verwijzingen naar de informatiebron gewoon weg. Neem een zin als: `Westerse waarnemers onderschatten niet alleen de mate waarin het centrale KGB-bestuur het Sovjet-systeem sociaal controleerde, maar ook de macht en invloed van de inlichtingen-chefs.' Wie spreekt hier? Is het Mitrochins samenvatting van een originele KGB-analyse? Heeft Mitrochin dit later tegen Andrew gezegd en zo ja, waarom? Of is het Andrew die hier een conclusie trekt? Zo trekt hij duizend pagina's lang een scherm op tussen de lezer en de feiten, maar hoe hoog het precies is kom je zelden te weten.

De tweede reden waarom dit boek niet bevredigt, zijn een paar opvallende hiaten. Neem de Russische oorlog in Afghanistan vanaf 1979. De gruwelen daarvan lijken Mitrochin definitief tot het inzicht te hebben gebracht dat hij een slecht systeem diende. Verwijzingen genoeg ook naar wat die oorlog voor desastreus effect had op resterende linkse sympathie in het Westen. En dat de KGB een `centrale rol' speelde bij het besluit om die oorlog te beginnen, zoals Andrew vaststelt, geloven we ook graag, maar in het boek staat er verder geen woord over. Zoals ook de Hongaarse invasie van 1956 wordt onderbedeeld. Dat is raar voor een boek dat pretendeert een geschiedenis van de KGB te zijn.

Het boek geeft evenmin het laatste woord over de affaire-Philby, die, zoals John le Carré in 1968 in een inleiding bij The Philby Conspiracy heeft geschreven, de Britse samenleving in het hart trof, en die nog steeds niet is uitgewerkt. Philby's dubbelspel was zo onvoorstelbaar omdat de aristocratische en messcherpe Philby bij uitstek `één van ons' leek en met zijn overlopen in 1963 stierf een stukje Engeland.

Opnieuw: anekdotes genoeg in The Mitrokhin Archive, zoals die over Philby's wrok toen hij, eenmaal in Moskou aangekomen, ontdekte dat de KGB hem nooit een officiersrang had gegeven, laat staan dat hij een KGB-generaal was, zoals hij zelf dacht. Maar het boek voegt weinig toe aan wat iedereen al weet: dat de KGB met Philby en zijn maten – de `Cambridge Five', of de `vijf punten van de ster' – een unieke slag had geslagen.

En geen woord over wat `het laatste raadsel' van die affaire heet: de identiteit van de vermeende Sovjet-agenten `David' en `Rosa', hebben teleurgestelde fijnproevers meteen opgemerkt. Die twee – DAVID en ROSA, zou Andrew schrijven in de irritante kapitalen die hij voor de honderden codenamen van agenten en projecten hanteert – zouden Lord Victor Rothschild en zijn vrouw kunnen zijn geweest, is in de jaren tachtig wel beweerd tijdens het Spycatcher-schandaal dat een nieuwe reeks mollen aan het licht bracht.

De joodse codenamen zouden daarop wijzen; de KGB koos vaker `passende' codenamen, zoals `Mädchen' voor de homoseksuele spion Guy Burgess. Een ander verband lag in de vriendschap tussen de Rothschilds en Sir Anthony Blunt, de schilderijenbewaarder van koningin Elizabeth, die in 1979 publiek was ontmaskerd als één van de Cambridge Five. Of in de Spycatcher-affaire zelf, toen Rothschild druk uitoefende op oud-MI-5'er Peter Wright om zijn publicatie tegen te houden.

Kan het zijn dat het antwoord op zulke vragen in het deel van het Mitrochin-archief staat dat nog niet voor publicatie is vrijgegeven? Of in het deel van het archief dat Andrew niet interessant genoeg vond om op te nemen? Want van de papierstapel heeft Andrew slechts de helft verwerkt. Wie bijvoorbeeld op zoek gaat naar Nederlandse verwijzingen, wordt teleurgesteld. Nederlandse communisten of vredesactivisten op wie de KGB een oogje gehad kan hebben komen er niet in voor. Geen Lek, Spek, Bakker, geen Oltmans en geen Hiltermann ook. Je bladert het register tevergeefs door op zoek naar de Nederlandse tegenvoeters van de KGB en de GRU: de BVD, de voormalige IDB en de Marine Inlichtingendienst. En dat is gek, want bijna alle andere Europese landen worden wel vermeld, tot en met het postzegelstaatje San Marino.

Dat de KGB altijd in Nederland geïnteresseerd was, staat vast. In een noot staat ook ergens dat de Russen tussen 1974 en 1979 zes agenten in Den Haag hadden, slechts drie minder dan in Bonn (maar dertig minder dan Parijs). En in een vraaggesprek met de Volkskrant, eerder deze week, beloofde Andrew in een eventuele Nederlandse vertaling `interessante documenten over de CPN' te zullen opnemen.

Maar tot die tijd moeten we het doen met kardinaal Willebrands, voorheen onze man in Rome en als de KGB zijn zin had gekregen tevens een mol in het Vaticaan. Willebrands een spion? Mitrochin beschrijft alleen dat de KGB in 1967 een programma opstelde om agenten naast de paus te parkeren. Willebrands staat met zes andere kardinaals op een lijst van kandidaten voor die rol. Wat er verder van is terechtgekomen, zegt Mitrochin niet, behalve dat het programma `erg ambitieus en onrealistisch was'.

Andrew is vaker selectief geweest. Sommige Britse lezers die daarop hebben gewezen, zeggen dat uit eigenbelang. Zoals John Symonds, een corrupte detective van Scotland Yard, die in een voorpublicatie uit The Mitrokhin Archive vorige week werd ontmaskerd als `Romeo-agent'. Nadat hij door twee KGB-agentes getraind zou zijn in de fijne kneepjes van het werk – hoeveel lezers kregen hier een visioen? – zou hij in de jaren zeventig en tachtig overal ter wereld `honderden' vrouwelijke leden van Westerse ambassades hebben verleid om ze in bed geheimen afhandig te maken.

Volgens Symonds is het waar van die vrouwen, maar staat Andrews verslag verder `bol van de fouten'. In een brief aan The Independent beloofde hij woensdag die graag te willen ophelderen als het onafhankelijke onderzoekscomité hem tenminste wil horen. Bovendien gaf hij de KGB de namen van 150 andere corrupte detectives, schrijft hij – zoveel dat de Russen `er een aparte afdeling voor moesten opzetten'. Is dat feit met opzet weggelaten? Bijvoorbeeld om de Britse politie en inlichtingendiensten gezichtsverlies te besparen?

Symonds, die zijn dagen tegenwoordig op een barkruk in Portugal doorbrengt, kwam met hetzelfde verhaal vroeger al eens biechten bij MI-5, maar toen werd hij weggestuurd als `een fantast'. Je kunt je er iets bij voorstellen. Dat neemt niet weg dat moeilijk blijft om van veel opgetekende feiten het gewicht te bepalen.

Was Melita Norwood, agent Hola, nu een spion van kolossaal kaliber of niet? Mitrochin en Andrew denken van wel. De Russen onderschatten het potentieel van vrouwen als spion, maar Norwood was `een zeer opmerkelijke uitzondering', schrijven ze. `Ze was een zeer langdurige en hooggewaardeerde ideologische spion' met een carrière van veertig jaar. Als secretaresse bij een branche van het Britse atoombomproject gingen volgens de auteurs cruciale documenten door haar vingers die ze aan de KGB gaf. Daardoor zouden de Russen al in 1949 hun eigen atoombom hebben kunnen laten ontploffen.

Greintje spijt

Dat Norwood een spionne was, staat vast. Ze zegt dat ze niet wist dat ze belangrijk werk deed, maar herhaalt dezer dagen dat ze geen greintje spijt heeft en weigert een kwaad woord te zeggen over de Sovjet-Unie. Over haar zaak is het laatste woord nog niet gezegd, omdat MI-5, dat al jaren van haar bestaan op de hoogte was, moet uitleggen waarom ze zelfs nooit is verhoord. Maar of haar informatie de Russische atoombom naderbij heeft gebracht, is onwaarschijnlijk. Het bedrijf waar ze werkte was een toeleveringsbedrijf, waar weinig essentieels omging en waarvan het hoe dan ook de vraag is of de ongetrainde Hola het kon herkennen. Bovendien beschikten de Russen over talloze informanten die veel dichter bij het vuur zaten, in Londen en in de VS. Een daarvan was John Cairncross, een diplomaat en codespecialist, die algemeen geldt als grondlegger van het Russische atoombom-programma en die in hetzelfde boek terecht veel meer aandacht krijgt dan Hola.

Philip Knightley, de Britse auteur van een aantal gezaghebbende boeken over spionage, betoogde vorige week zelfs dat de Russen het leeuwendeel van hun informatie gewoon uit openbare bronnen hebben gehaald, zoals wetenschappelijke publicaties en The Smythe Report on Atomic Energy for Military Purpose uit 1945, een overheidsdocument. Hola wilde de Sovjet-Unie helpen ``om niet bij Amerika en Duitsland achterop te raken'. Dat is een nobel motief, betoogt Knightley, want de Russische bom herstelde het machtsevenwicht dat een nucleaire oorlog tot nu toe voorkomt. Hola verdient daarom geen straf maar een medaille!

Zo relativeert een groot deel van het boek zichzelf, al is dat niet de bedoeling van de auteurs. Dit boek heet `een waarschuwing aan volgende generaties'. En zo eindigt het ook, in stijl, met de waarneming dat drie recente Russische premiers een KGB-verleden hebben, voor Andrew en Mitrochin het bewijs dat het tijdperk Jeltsin het verdwijnen van de Sovjet-Unie nooit heeft verwerkt. Hoe het Westen dat heeft gedaan weten we bij benadering, helaas niet uit een officiële geschiedschrijving of uit het werk van een Westerse Mitrochin, maar uit de romans van een Le Carré. Je hoort hem in de verte alweer typen.

Christopher Andrew en Vasili Mitrokhin: The Mitrokhin Archive. The KGB in Europe and The West. Penguin, 996 blz. ƒ89,95 (geb.)