Arend Lijphart: Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, 1968

Geen twijfel mogelijk. Arend Lijphart is de belangrijkste politicoloog van Nederland. Dat heeft hij te danken aan zijn wetenschappelijke werk in de Verenigde Staten én aan de fall-out van The politics of accommodation. Pluralism and democracy in the Netherlands, zijn baanbrekende studie over het Nederlandse politieke bestel uit 1968. Over een schier onuitputtelijk aantal politieke systemen heeft Lijphart (hoogleraar in San Diego) sindsdien zijn licht laten schijnen, onder andere die van België en Zuid-Afrika. In de Lijphart Election Archives heeft hij ook nog eens nagenoeg alle verkiezingen – van Malta tot Liechtenstein, van Polen tot Chili – op de snijtafel gelegd. Kortom, Lijphart heeft school gemaakt. Letterlijk.

Is dat terecht? Het is onrechtvaardig, omdat Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek – de Nederlandse titel van het naderhand regelmatig bijgewerkte boek – ten dele leunt op het voorwerk van bijvoorbeeld Hans Daalder, wiens status niet altijd op waarde wordt geschat. Het is anderzijds wel rechtvaardig, omdat Lijphart een boek heeft geschreven dat toegankelijk was en is gebleven. Moeiteloos weet hij de case-study te verenigen met tertiaire politicologie. Zelfs de tabellen zijn een feest. Door deze benadering van de Nederlandse politiek is Verzuiling, pacificatie en kentering tot ons publieke geheugen gaan behoren. Er is de afgelopen dertig jaar geen politieke journalist geweest die het niet heeft gebruikt, vaak zonder het zelf te weten.

Het is geen toeval dat Arend Lijphart (1936) zich in de jaren zestig op het Nederlands bestel stortte. Het systeem raakt in deze `revolutionaire' periode op drift en lijkt te gaan kraken. Een ideaal moment om, vanuit de VS, terug te kijken. In crisis plegen stelsels immers hun geheimen pas echt prijs te geven.

De wetenschapper Lijphart heeft bovendien theoretische en praktische motieven voor zijn onderzoek. Grote Amerikaanse politicologen als Lipset en Dahl hebben met hun liberale `pluralisme'-theorieën de wereld veroverd. Volgens hun boekjes kan het verzuilde en dus heterogene Nederland eigenlijk geen stabiele democratie zijn. Toch is het dat. Er woedt hier geen politieke burgeroorlog. Integendeel, de verhoudingen zijn zelfs zo `lijdelijk' dat je ervan gaat gapen. Totdat in de jaren zestig veel op zijn kop komt te staan. Niet met een grote klap maar, wederom, geleidelijk. Is het bijvoorbeeld niet opmerkelijk dat de Nederlandse studentenbeweging, die qua elan niet kan tippen aan de barricades elders in de Westerse wereld, een hervorming van het universitaire bestuur weet te forceren die haar weerga niet kent? Nee, dat is het niet. Als je maar bereid bent Nederland te begrijpen als één grote paradox.

De eerste paradox is de `pacificatie' uit het begin van deze eeuw. Weliswaar is Nederland altijd een relatief vrijzinnig oord geweest, maar van werkelijke gelijkwaardheid is hier geen sprake. Door de vrijheid van onderwijs én het algemeen kiesrecht in 1917 te verankeren in de grondwet, komt daar in één grote greep verandering in. Nederland wordt opgesplitst: horizontaal langs klassentegenstellingen en tegelijk verticaal langs religieuze scheidslijnen. De verticale zuilen, die dwars door alle klassen heenlopen, absorberen de sociaal-economische wrijvingen die horizontaal dreigen te ontstaan. Een katholieke arbeider leest een katholieke krant, is lid van een katholieke vakbond, stuurt zijn kinderen naar een katholieke school, luistert naar de katholieke radio, gaat naar een katholieke bakker en laat zich commanderen door een katholieke patroon. Hetzelfde geldt voor respectievelijk protestanten en sociaal-democraten. De zuilen leven `naast elkaar, niet met elkaar'.

Tot zover is het beeld bekend. Maar waarom is Nederland dan geen Libanon geworden? Wat houdt de boel hier bij elkaar? Ten eerste: een dubbelzinnig nationalisme waarin alle zuilen zich op `kritieke ogenblikken' kunnen herkennen. De mythe van onze `strijd tegen het water' en het Oranjehuis zijn daarbij van cruciaal belang. Ten tweede: de wetenschap dat geen van de zuilen ooit een meerderheid zal halen. Zelfs de katholieken zouden daaraan, volgens demografische prognoses begin jaren vijftig, pas in 2028 mogen ruiken. En ten derde: het feit dat alle zuilen intern heterogeen zijn, omdat alle sociale strata er een plaats in moeten krijgen. Pacificatie is daarom `het schikken van twisten, die vanwege hun levensbeschouwelijke aard onoplosbaar' lijken: een methode om de inherente `middelpuntvliedende krachten' te smoren voordat ze hun destructieve werk kunnen doen.

Hoe werkt dit systeem in de praktijk? Lijphart legt het haarscherp uit. Essentieel is de opvatting dat politiek geen spel is, maar een ernstige zaak. Niet minder belangrijk is de erkenning dat er aan de verzuiling toch niets te doen is, al zouden we willen. Het gevolg van die pragmatische verdraagzaamheid is dat je de ander nooit het vel over de oren moet trekken. Zo gaat het bijvoorbeeld bij de introductie begin jaren zestig van de voetbaltoto in Nederland. Coalitiegenoot ARP is categorisch tegen gokken. De meerderheid in de Tweede Kamer drukt niet door, maar doet zoveel concessies over inleg en hoogte van het prijzengeld dat de antirevolutionairen tegen mogen stemmen maar met opgeheven hoofd in de coalitie kunnen blijven.

Alle partijen moeten vooral het gevoel houden dat ze een `evenredig' aandeel in de besluitvorming kunnen opeisen. De consequentie daarvan is dat gevoelige kwesties zo snel mogelijk `gedepolitiseerd' worden. Geen fraaier voorbeeld dan het huwelijk van prinses Irene in 1964. Dat ze katholiek is geworden en wil trouwen met geloofsgenoot Carlos Hugo de Bourbon is voor het protestantse deel der natie een steen des aanstoots. Maar dat kan geen reden voor het parlement zijn om toestemming aan het huwelijk te onthouden. Dat zou namelijk een belediging zijn voor de KVP. Goddank blijkt de aanstaande echtgenoot ook als carlist politiek actief te zijn in Franco's Spanje. De Oranje-dynastie moet behoed worden voor zulke politieke valkuilen, daarover is iedereen het eens, protestanten en katholieken. Waarna de regering weer kan regeren, zonder al te veel last te hebben van de volksvertegenwoordiging.

De gewone man leeft ondertussen met het idee `twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen'. De praktische compromissen zijn het werk van elites die elkaar op geheime topconferenties ontmoeten. Nu zouden we dat misprijzend `achterkamertjespolitiek' noemen, maar tot halverwege de jaren zestig is die praktijk volstrekt normaal. Ook de media weerspiegelen het maatschappelijk klimaat, waar `passiviteit, volgzaamheid en lijdelijkheid' bijna collectieve deugden zijn. Zoals premier Marijnen (KVP) het uitdrukte acht jaar na de Greet Hoffman-affaire: `De grootheid van de pers in een democratie wordt niet alleen bepaald door wat zij publiceert, maar ook door de zelfbeheersing die zij in acht weet te nemen.' Alleen intellectuelen verpesten soms de goede sfeer.

Op grond van deze analyse onderscheidt Lijphart vier soorten democratie: middelpuntvliedende (Frankrijk en Italië), middelpuntzoekende (Scandinavië en Angelsaksische landen), pacificatie-democratieën (Oostenrijk, Zwitserland, België en Nederland) en `karteldemocratieën'. In de eerste twee beconcurreren de elites elkaar fel, in de laatste twee wordt er aan de basis gestreden maar aan de top door de verschillende elites samengewerkt.

Volgens Lijphart verkeert Nederland eind jaren zestig in de overgang van een pacificatie- naar een karteldemocratie: vandaar het begrip `kentering' in de boektitel. De redenen daarvoor zijn vierledig. De verzuilde grenzen verliezen hun scherpte: zie de fusie van christelijke partijen in het CDA en het succes van de `neutrale' media. De trouw van de basis neemt af, ten gunste van een actiever politiek klimaat: zie de opmars van de zwevende kiezer. Ook de politieke elites houden zich steeds minder aan de klassieke regels: zie het kabinet-Den Uyl. De regering ten slotte kan niet meer bogen op vanzelfsprekend gezag: zie de acceptatie van burgerlijke ongehoorzaamheid.

Dertig jaar later kan worden vastgesteld dat het systeem nog steeds intact is, al zijn de parameters grondig door elkaar geschud en zag Lijphart her en der spoken. Hij hechtte in Verzuiling, pacificatie en kentering vooral iets te veel waarde aan het tromgeroffel in de bovenbouw. Maar zijn waarneming dat het verzuilde bestel zich aan het omvormen was tot een `karteldemocratie' is nog steeds een schot in de roos. Wie vroeger geen veiligheid zocht in een zuil, stond buitenspel. Wie tegenwoordig niet over een `netwerk' beschikt, weet zich eveneens uitgekotst. Polariserende individualisten als Den Uyl en Bolkestein zijn uitzonderingen. De consensus-denkers Drees en Romme hebben gewonnen. Kok is de naam.

A. Lijphart: The politics of accomodation. Pluralism and democracy in the Netherlands. University of California Press (1968), uitverkocht.

Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek. De Bussy (1968), uitverkocht.