Van der Ploeg houdt vast aan `drie procent'

Staatssecretaris Van der Ploeg van Cultuur houdt ondanks kritiek van de Tweede Kamer vrijwel onverkort vast aan zijn eis dat culturele instellingen tenminste drie procent van hun subsidie moeten gebruiken om `nieuw publiek' te bereiken.

Dat staat in een brief die Van der Ploeg de Tweede Kamer gisteren heeft gesteuurd. De staatssecretaris heeft zijn plannen wel aangepast om tegemoet te komen aan de kritiek van de Kamer, die in juni een motie aannam tegen zijn drie-procentsnorm. Aanvankelijk wilde Van der Ploeg musea, gezelschappen en orkesten die niet aan die norm voldoen, straffen met een subsidiekorting van drie procent. Die kortingsregeling komt er niet, schrijft hij in zijn brief. Verder zegt hij ,,het strafkarakter'' van de maatregel te zullen vervangen door ,,een stimulans'': instellingen die aan de norm voldoen komen in aanmerking voor twee procent éxtra subsidie. En voor instellingen die niet aan de norm voldoen is dispensatie mogelijk, mits zij goede redenen hebben.

Maar Van der Ploeg handhaaft zijn eis dat instellingen tenminste drie procent van hun subsidie moeten gebruiken om jongeren, allochtonen en overige `niet reguliere publieksgroepen' te bereiken. Die eis wordt een van de subsidievoorwaarden voor de periode 2001-2004. Het is in eerste instantie aan de Raad voor Cultuur om te kijken of een instelling aan deze subsidievoorwaarden heeft voldaan. Musea en gezelschappen die niet aan de norm voldoen, zullen op andere punten – bijvoorbeeld kwaliteit – heel goed moeten scoren.

Een instelling die bij haar aanvraag zegt aan de norm te zullen voldoen maar daarin niet slaagt, moet vrezen voor een deel van haar subsidie, ook al ziet Van der Ploeg dan af van een nieuwe, `specifieke' kortingsregeling. In zijn brief aan de Kamer wijst hij op bestaande bepalingen van de Algemene Wet Bestuursrecht en het Bekostigingsbesluit Cultuuruitingen die hem in zo'n geval ter beschikking staan. ,,Dit betekent dat [...] de te veel ontvangen subsidie uiteindelijk kan worden teruggevorderd.''

,,Stel een instelling belooft in zijn subsidieaanvraag drie procent aan publieksmaatregelen te besteden'', zegt een woordvoerder van Van der Ploeg, ,,en het blijkt in praktijk twee procent te zijn, dan moet de instelling één procent teruggeven.''

In zijn brief aan Kamer legt Van der Ploeg nog eens uit waarom hij zijn bekritiseerde maatregel zo belangrijk vindt. Hij noemt onder meer het nieuwe schoolvak Culturele en Kunstzinnige Vorming, onderdeel van het project Cultuur en School dat bedoeld is om jongeren voor kunst te interesseren. ,,Het zou absoluut een gemiste kans zijn als de toenemende vraag van scholen en leerlingen naar op hen toegesneden culturele activiteiten van de kant van de gesubsidieerde sector niet alert beantwoord zou worden.'' Verder wijst Van der Ploeg erop dat het stellen van normen door de overheid ,,eerder regel dan uitzondering'' is. Als voorbeeld noemt hij de programmavoorschriften voor de publieke omroep.