Tandeloze

Het is half elf, en in het café heffen de klokkenluider en de vuilnisman een oud lied aan, een ballade lijkt het wel: `Wij werkten aan de lijn van Boedapest naar Pecs/De grote nieuwe spoorlijn/Aan de tunnel bij...' Allen zingen mee en slaan op de tafels, behalve de spion, een schichtige man die ze ook wel `de tandeloze' noemen – want zonder communisme heeft ook een spion geen leven meer, en toch leeft hij.

Lajos (50) en Rode Jozef (62) vertellen over vroeger. Het is het verhaal van bijna elk Europees dorp: vlak na de oorlog woonden hier zo'n 1.600 mensen, er waren zeker 100 boeren, elk stukje grond werd bebouwd en toch stierven ze van de armoede. Nu wonen er nog maar 200, en er is nog maar één boer, de burgemeester. ,,In de jaren vijftig trok iedereen weg'', vertelt Rode Jozef. ,,Alles moest naar het collectief, alle zolders en kelders werden leeggeplunderd, we hielden maar een halve hectare voor onszelf.'' Er was maar één verzetje, de film, die de postbode iedere week, zomer en winter, lopend uit de stad haalde, dertig jaar lang. ,,Toen we in 1956 hoorden van de opstand haalde iedereen direct zijn eigen vee weer uit het collectief, maar dat duurde niet lang.'' Pas deze maand, in september 1999, is het collectief geliquideerd. ,,Alle grond is nu teruggegeven, maar de jongeren zijn vertrokken en de ouderen kunnen niet meer opnieuw beginnen. Het is te laat.''

En al die Hollanders en Zweden die hier huizen kopen? Rode Jozef vindt het wel goed: ,,Het zijn geen zigeuners en ze bouwen het dorp weer op.'' Lajos: ,,Verkoop toch de boel. Vandaag is vandaag, zo is het leven.''