Schadeclaim van zieke roker

Voor het eerst heeft een Nederlandse roker een schadeclaim ingediend tegen de tabaksindustrie. De Amersfoortse letselschade-advocaat M. de Witte heeft sigarettenfabrikanten Philip Morris, British-American Tobacco en Imperial Tobacco aansprakelijk gesteld voor de ziekte van zijn cliënt, die een ernstige longaandoening heeft.

De man, die verslaafd is aan roken, krijgt wegens zijn longemfyseem regelmatig extra zuurstof toegediend. Hij zit in een rolstoel. ,,Ik denk dat hij een redelijke kans heeft om schadevergoeding te krijgen'', zegt De Witte, die de sigarettenfabrikanten aansprakelijk heeft gesteld voor de `materiële en immateriële schade' die zijn cliënt als gevolg van roken heeft geleden.

,,Wij hebben inderdaad een briefje gehad van die meneer De Witte'', reageert een woordvoerder van British-American Tobacco, fabrikant van onder meer Lucky Strike, Gladstone en Caballero sigaretten en Samson shag, ,,maar hij geeft helemaal geen toelichting op wat die schade precies is. Wij achten onszelf dan ook niet aansprakelijk.''

Op het Nederlandse hoofdkantoor van Philip Morris Nederland (Marlboro, Chesterfield) is niets bekend van een schadeclaim. ,,Wij hebben geen brief ontvangen'', aldus de woordvoerder. Bij Imperial Tobacco, maker van Van Nelle shag, was vanochtend niemand voor commentaar bereikbaar.

Nederlandse tabaksfabrikanten hebben nog niet eerder te maken gehad met een dergelijke schadeclaim. In de Verenigde Staten lopen zulke rechtszaken tegen de tabaksindustrie al jaren. Vorig jaar troffen Amerikaanse deelstaten een schikking van 243 miljard dollar met de tabaksfabrikanten die hen zou moeten vrijwaren van verdere rechtsvervolging. Nu maakt echter de federale overheid aanspraak op een miljardenvergoeding voor de kosten van het verplegen van tabaksslachtoffers.

Het Amerikaanse departement van Justitie beschuldigt de tabaksindustrie van misleiding en bedrog. Volgens Justitie hebben tabaksbedrijven sinds de jaren vijftig een ,,georganiseerde campagne van fraude en bedrog'' gevoerd. Ze deden zaken zonder acht te slaan op de waarheid, de wet of de gezondheid van het Amerikaanse volk. ,,Roken is de belangrijkste, te voorkomen oorzaak van dood en ziekte in het land'', aldus minister van Justitie Janet Reno, die miljarden dollars schadevergoeding eist. ,,Amerikaanse belastingbetalers hoeven niet verantwoordelijk te worden gesteld voor de astronomische kosten hiervan.''

Per jaar kost het verplegen van tabaksslachtoffers de Verenigde Staten ongeveer twintig miljard dollar (ruim veertig miljard gulden). De helft van dat geld komt uit het Medicare-programma, dat een ziekteverzekering is voor bejaarden. Justitie noemde geen bedrag dat zij wil terugvorderen maar streeft naar een veelvoud van de twintig miljard dollar. In haar aanklacht noemt Justitie acht tabaksbedrijven, waaronder de twee grootste, Philip Morris en RJR Reynolds, en twee lobbyorganisaties van de industrie.

De tabaksindustrie is van mening dat de rechtszaak ,,puur politiek'' is. In een eerste reactie wijzen vertegenwoordigers van tabaksbedrijven erop dat al sinds de jaren zestig verplichte waarschuwingen staan op pakjes sigaretten. De overheid noch het publiek kan dus beweren dat de schadelijkheid van roken niet bekend was.

De overheid gebruikt in zijn zaak interne documenten van de tabaksproducenten die in de laatste jaren naar buiten zijn gesmokkeld. De documenten zijn toegankelijk verklaard en gebruikt bij processen die Amerikaanse deelstaten tegen de tabaksindustrie hebben aangespannen. Uit veel stukken blijkt dat de industrie negatieve resultaten van zijn onderzoek naar de effecten roken binnenskamers hield. Justitie verwijt de industrie dan ook leugenachtige beweringen, valse beloftes en sponsoring van partijdig wetenschappelijk onderzoek. Volgens justitie heeft de industrie ook jarenlang beweerd dat nicotine niet verslavend is terwijl men zelf al beter wist. Ook zou de industrie zijn marketing bewust hebben gericht op de jeugd. Tabaksbedrijven ontkennen dat.

In zijn laatste `State of the Union' had president Clinton al kort melding gemaakt van de rechtszaak. Hij zei toen dat de overheid 25 miljard dollar wilde terugvorderen.

De onderminister van Justitie, David Ogden, herleidde het begin van de samenzwering naar een vergadering in januari 1954. Vertegenwoordigers van de tabaksindustrie kwamen toen bijeen in het Plaza Hotel in New York en ,,hebben afgesproken een langdurige pr-campagne te voeren op basis van fraude en bedrog'', aldus de onderminister.