Rol arts bij euthanasie valt weg

Artsen moeten op medisch-ethische gronden kunnen weigeren aan euthanasie mee te werken, stelt Steven Mathijsen. De nieuwe wetgeving die het kabinet heeft ingediend maakt dit onmogelijk. De ethiek van Hippocrates is voorgoed afgeschreven.

Volgens de memorie van toelichting bij het vorige maand ingediende nieuwe wetsvoorstel over hulp bij zelfdoding betreft euthanasie niet normaal medisch handelen maar gaat het om maatschappelijk genormeerd handelen. In het medisch-ethisch euthanasiedebat speelt het begrip noodsituatie een cruciale rol. Door te verwijzen naar deze noodsituatie kan een arts die euthanasie toepast een beroep doen op overmacht. De noodsituatie is door de Hoge Raad medisch gedefinieerd. Een arts die euthanasie weigert kan zich alleen beroepen op gewetensbezwaar. Dit is niet correct. Hiermee komt het `kiepmoment' dichterbij: het moment dat niet de artsen die vóór euthanasie zijn zich moeten verdedigen maar de artsen die tegen zijn. Dit ogenblik ontstaat wanneer euthanasie in de praktijk als een medische handeling wordt beschouwd. De ethiek van Hippocrates is dan voorgoed afgeschreven.

In het begin van het euthanasiedebat was de rechtvaardiging een belangrijk discussiepunt. Deze werd gevonden in het conflict van plichten: het leven behouden versus het lijden verzachten en de noodsituatie waardoor de arts een beroep kon doen op overmacht. Nu de rechtvaardiging in het nieuwe euthanasiewetsvoorstel niet meer wordt genoemd, worden de gevolgen van deze bovenstaande juridische (wan-)constructie steeds duidelijker.

De ministers Borst en Sorgdrager schreven in 1995 in het blad Medisch Contact dat de Hoge Raad in 1984 heeft erkend dat een arts onder omstandigheden een beroep kan doen op overmacht in de zin van noodtoestand. ,,Deze laatste juridische constructie betekent voor euthanasie kortweg: de arts kan genoodzaakt worden te kiezen tussen zijn plicht het leven te behouden en aan zijn plicht als arts al het mogelijke te doen om ondraaglijk en uitzichtloos lijden van een aan zijn zorgen toevertrouwde patiënt te verlichten'', aldus de ministers.

Volgens het zuivere denken (waaraan prof.dr. A. van Dantzig op de opiniepagina van 19 augustus refereerde) betekent dit nog niet dat de arts de plicht zou hebben het leven te beëindigen. Juister zou het zijn de noodsituatie te omschrijven als een conflict tussen enerzijds respect voor behoud van het leven en anderzijds respect voor de wens van de patiënt om zijn leven te beëindigen. Een dergelijke formulering benadrukt pijnlijk dat het niet om een medisch probleem gaat. Niet voor niets spraken de ministers over een juridische constructie. Dit heeft dus meer te maken met het zoeken naar een juridische oplossing dan met het zuivere denken.

De noodsituatie wordt door de Hoge Raad gemedicaliseerd in de formulering dat ,,de rechter dient te onderzoeken of de arts in het bijzonder volgens wetenschappelijk verantwoord medisch inzicht en overeenkomstig in de medische ethiek geldende normen een keuze heeft gedaan die gerechtvaardigd is te achten''.

Een beroep op noodtoestand komt alleen degene toe die onverwacht, dus zich niet zelf heeft begeven in de situatie die door het belangenconflict wordt beheerst. In de arts-patiëntrelatie is hier geen sprake van.

Door de `medische' definiëring van de noodsituatie door de Hoge Raad is in feite de medische exceptie reeds geaccepteerd. Wanneer de meldingsprocedure over een aantal jaren wordt geëvalueerd en dan mocht blijken dat afhandeling van klachten uitsluitend wordt gedaan door de Inspectie Volksgezondheid en niet door de officier van justitie, dan is de formalisering van de medische exceptie een logische kleine stap.

Dit noem ik de gevolgen van het kiepmoment dat ertoe leidt dat de professionele autonomie van de arts wordt aangetast. Alleen een wetsvoorstel waarin ook geregeld is dat artsen kunnen weigeren op medisch/ethische gronden, kan er mogelijk voor zorgen dat de euthanasieregeling niet als splijtzwam zal werken. Het gaat bij euthanasie niet om medisch maar om maatschappelijk genormeerd handelen, en om ethiek en recht, schreef het D66 Tweede-Kamerlid Van Boxtel destijds bij zijn initiatiefwetsvoorstel. Maar de huidige praktijk waarin bij sollicitatieprocedures van artsen nu al naar de bereidheid tot euthanasieuitvoering wordt geïnformeerd, stemt mij sceptisch.

Drs. S.J. Matthijsen is psychiater en voorzitter van de Werkgroep Oordeelsvorming Euthanasie.