Op Ruslands chaos bloeit het russisme

Rusland wordt geteisterd door exorbitant geweld. In de nu heersende chaos kristalliseren zich echter nieuwe verhoudingen uit. Wie uiteindelijk aan het langste eind trekt, is ongewis, maar de contouren worden niettemin zichtbaar, meent Hubert Smeets.

Eerst de boel verslonzen en verzieken. Dan de bommen. Vervolgens de oorlogsverklaringen aan de `vijand'. Daarna de speciale patrouilles op straat die binnen een week ruim tienduizend arrestanten maken. En ondertussen een `wervelwind' van de staatsveiligheidsdienst die van de ene op de andere dag tonnen dynamiet in kelders, vrachtwagens en jute suikerzakken weet op te sporen en zo talloze aanslagen lijkt te verijdelen.

Ongeveer zo ging het ook in 1990/1991 toen de Sovjet-Unie nog bestond. Een pogrom in Soemgait (Azerbeidzjan), een oorlog om Nagorno-Karabach (Armenië), een bloedbad in Tbilisi (Georgië), een etnische rel in Osj (Kirgizië), een putsch in Vilnius (Litouwen) en een gewapende overval in Riga (Letland) moesten de Sovjetburgers rijp maken voor hardhandige politieke oplossingen. Totdat, voor wie het is vergeten, een mislukte coup in augustus 1991 een einde maakte aan de machtsstrijd binnen het communistische establishment.

Maar er is ten minste één verschil. Indertijd kwam het geweld uit de loop van het geweer van de Sovjetstaat, hoe zieltogend die ook was. Nu is de afzender van het exorbitante geweld onzichtbaar. In 1990/91 ging het grotendeels aan de Russen zelf voorbij. Dezer weken bereikt het de voordeur van het volk nadrukkelijk. Toen barstte het los in een maatschappij die nog een beetje vertrouwen had in politiek. Thans slaat het om zich heen in een samenleving die apathisch en fobisch is.

Kortom, negen jaar geleden noopte het geweld tot een bescheiden vorm van democratische bewustwording. En nu? Nu weet bijna niemand waartoe het inspireert. Behalve de politici die in de coulissen en op veilige afstand van het volk hun eigen kaarten blijven schudden, ruiken alleen nog de `zware jongens' hun kansen. Zo schreef de anonieme M.O. in het weekblad Argoementi i Fakti: ,,Ik ben een representant van de misdaad. Een autoriteit. Net als Russische broederschappen [eufemisme voor criminele organisaties, hs] behangen ook Tsjetsjeense bandieten zich met gouden armbanden, gaan ze uit in restaurants en naar de hoeren. Maar het Russische geld dat na het feestvieren overblijft, wordt opgeofferd aan sportzalen, kerken en soms kinderhuizen. Tsjetsjenen kopen van hun verdiensten wapens en munitie om onze Russische soldaten te doden. Om de oorlog in Tsjetsjenië te winnen, moeten we beginnen met de strijd tegen de Tsjetsjeense bandieten in Moskou.''

Het scenario is herkenbaar. Zeker in Rusland, waar de kunst van de politieke provocatie een rijke traditie heeft. De leninistische praktijk van geweld als `vroedvrouw' van de geschiedenis heeft er zo'n lange staat van dienst dat ze deel is geworden van het collectieve bewustzijn.

De reden voor deze continuïteit heeft een naam: ze heet Jeltsin. Tijdens zijn presidentschap heeft Boris Jeltsin weinig gedaan om het relatief optimistische klimaat waarvan juist hij had geprofiteerd, te koesteren. Integendeel, hij heeft zijn broze democratische basis verwoest en een soort Byzantium gebouwd waarvoor de Russische burger geen ethische waardering kan koesteren, maar hooguit esthetische bewondering. Want deze glazen paleizen en gouden koepels dwingen weliswaar jaloers respect af, ze bewijzen eveneens dat iets grondig is misgegaan met de beloften van het staatshoofd dat een democratische en marktconforme natie in het verschiet zou liggen. Zolang theorie en praktijk vreedzaam gescheiden bleven, was er geen groot probleem. Nu de rust op de stoep van het Kremlin wordt verstoord, ligt dat anders.

De oorzaak is echter gecompliceerder. Jeltsin is op de keper beschouwd vooral de personificatie van een politieke patronagecultuur waar woord en daad gescheiden grootheden zijn. Binnen die context is hij de beste geweest. Als geen ander heeft hij de kunst van verdeel-en-heers beheerst. Zijn vijf versleten premiers en ontelbare kleinere dienaren in het Kremlin kunnen dat bevestigen. Maar erbuiten is hij minder onvervangbaar dan wordt gesuggereerd. Daar is hij slechts de `constitutionele garantie', zolang zijn handtekening beschikbaar blijft voor allerhande decreten waarmee de cliënten bediend moeten worden. Wanneer de president daarvoor niet meer functioneel is, moet hij dus verraden worden door dezelfde mensen die hem nu nog naar de ogen kijken. In de woorden van burgemeester Joeri Loezjkov van Moskou: ,,Jeltsin is de gijzelaar geworden van zijn eigen systeem.''

Ideeën zijn binnen dit stelsel slechts metafysica om fysieke belangen te legitimeren. Zo was het ook voor 1991. Maar één element is danig veranderd: geld is een cruciale rol gaan spelen. Waar voor Jeltsin persoonlijke diensten de prijs bepaalden in het maatschappelijke verkeer, gaat het sinds 1991 om onpersoonlijkere financiële transacties. Deed tien jaar geleden het spreekwoord opgeld dat je beter honderd vrienden dan honderd roebel kon hebben, nu geldt het adagium dat je beter honderd dollar kunt bezitten dan honderd vrienden. De buitenwereld stond in den beginne applaudisserend aan de kant. Hoe sneller Rusland zichzelf zou rationaliseren en objectiveren, hoe beter. Voor menig econoom was Rusland een ongekend wetenschappelijk experiment. In het laboratorium zelf hield men zich echter niet aan de parameters die Harvard had vastgesteld. Toen het autarkische systeem tien jaar geleden openbarstte, verhuisde de nieuwe geldeconomie naar de Kaaimaneilanden en andere `off shore'-paradijsjes, terwijl de klassieke ruilhandel in eigen land achterbleef. Zo ontstonden drie Ruslanden. In het buitenland ontplooide zich het moderne deel der natie. In het binnenland bleef de ouderwetse patroon, die zijn zaakjes al scharrelend voor elkaar heeft en zo voor zijn onderdanen zorgt, manifest. En in Moskou kwamen beide landen samen.

Deze driedubbele axel heeft de Russen in verwarring achtergelaten. Vandaar die samenzweringstheorieën die, zoals altijd, balanceren tussen fantasie en realiteitszin. Waarom bijvoorbeeld is de invasie in Dagestan begonnen op het moment dat de Zwitserse en Amerikaanse justitiële autoriteiten hun onderzoek naar creditcard-rekeningen en witwassen op een hoger plan tilden, waardoor het Kremlin zelf bedreigd kon worden? Waarom is Moskou, de stad van Loezjkov, die volgend jaar een gerede kans heeft president te worden, de plaats waar de terreur het hardst toeslaat? Waarom zijn de `oligarchen', in de schaduw van het geweld, weer met elkaar in oorlog geraakt om de cruciale posten in de staat, waarmee het financiële verkeer kan worden beheerst? Waarom kruipt generaal Aleksandr Lebed, recent bezocht door mediamagnaat en financieel tycoon Boris Berezovksi, in het afgelegen Krasnojarsk juist nu uit zijn schulp? Waarom kondigt uitgerekend Aleksandr Sjochin, prominent lid van Ons Huis Rusland (de gemankeerde `partij van de macht' van ex-premier Tsjernomyrdin) maandag in het dagblad Segodnja aan dat de datum van Jeltsins aftreden reeds is vastgesteld op 19 oktober?

Waarom? Het is een zinloze vraag, zoals Aleksandr Solzjenitsyn lang geleden al heeft vastgesteld. Vooral omdat `daarom' niet bestaat. Elke poging om waarom en daarom te verbinden, stort neer in de kloof tussen `zij' (de elite) en `wij' (het volk) die onder Jeltsin nog groter is geworden dan ze al was. Zij bepalen de spelregels van de politieke oorlogsvoering. Zij kennen de wegen om zichzelf in veiligheid te brengen. Wij zijn het kanonnenvlees. Wij verdwalen in de `taiga' – de steppe. De vraag is hooguit hoe lang `wij' ons `geduld' bewaren, hoe lang `wij' de chaos als onvermijdelijk aanvaarden. Want als `wij' de trom serieus gaan roeren, steken krachten de kop op die alles kunnen verzengen. Dat moment moeten `zij' voor zijn, desnoods door van de terroristische nood een politieke deugd te maken.

Of nu wel of geen sprake is van een `endgame' voor de bewoners van het Kremlin – al dan niet culminerend in een soort noodtoestand – de terreur wordt dezer dagen dienstbaar gemaakt aan een nieuwe ordening. In chaos plegen zich immers nieuwe verhoudingen uit te kristalliseren. Het geweld is dan ook niet voorbij. Het vervult namelijk een functie. Het schept de voorwaarden voor een politiek klimaat dat nog geen naam heeft maar in statu nascendi wel bestaat.

Wie uiteindelijk aan het langste eind trekt, is ongewis. De contouren worden niettemin zichtbaar. In het grootste land ter wereld is een voedingsbodem geschapen voor een modern Rossizm. Dit `russisme' kan twee vliegen in één klap slaan. Voor de elite is het een wapen om zich af te sluiten voor de eisen van de Verlichte buitenwereld en zo de eigen belangen te beschermen. Tegelijkertijd biedt het de mogelijkheid het volk een toekomst voor te spiegelen waarin de klassiek Russische waarden autoriteit én gelijkheid weer het volle pond krijgen. Zoals de justitiële acties in Zwitserland en de VS voor de regering het bewijs zijn dat de buitenwereld het op Rusland gemunt heeft, zo zijn de bommen voor het criminele `broertje' M.O. hét uitgelezen moment om wat eigen rekeningen te vereffenen én zichzelf te afficheren als een etnisch patriot.

Een `russistisch' Rusland is balsem voor iedere gekrenkte ziel.

Hubert Smeets is redacteur van NRC Handelsblad.