Op het puntje van de Preekstoel

Hunnen, Mongolen, Russen en Duitsers, vele volken hebben in de loop der eeuwen hun stempel gedrukt op Hongarije. Wandelen langs de Dounau, door bossen met muggen, over steile paden en langs gorgelende beekjes, betekent een weerzien met de geschiedenis. Deel 12 van een serie over wandelen in Europa.

Prédikálószék, de Preekstoel, biedt één van de mooiste uitzichten op de Donau. Rechts: de toren en burcht van Visegrád – een strategisch langs de rivier gelegen gehucht, ooit de residentie van de koninklijke, Hongaarse hofhouding en in een heel ver verleden een Romeinse grenspost. Het links gelegen Pilismarót, is weliswaar van minder historisch belang, maar trekt de aandacht omdat boeren de brand hebben gezet in de braakliggende velden. Aan de overkant verraden kleine bewegende stipjes de aanwezigheid van toeristen bij de grotten van de Börzsöny-heuvels. En dan is er natuurlijk de meanderende Donau.

De Preekstoel lijkt met zijn 639 meter een makkelijk te bedwingen heuvel, maar het twee kilometer lange pad naar de top gaat steil omhoog. Een echte `kuitenbijter'. ,,Alleen voor ervaren wandelaars en klimmers'', meldt de reisgids. Een andere gids rept over ,,kettingen'' waaraan de reiziger zich moet optrekken om boven te komen.

Dat van die kettingen klopt niet. En het is uitgesloten dat we ze gemist hebben, want het pad volgt een smalle bergkam. Dat je een ervaren klimmer moet zijn, is ook niet waar. Sommige delen van het traject doen weliswaar denken aan een klimwand, maar met een paar goede schoenen en een beetje eelt op je handen kom je een heel eind. Boomwortels en rotsen om je aan vast te klampen zijn er genoeg.

Toch zijn het de langste twee kilometer ooit. We naderen een overhangende rotsformatie die in de bergkam lijkt gepropt. `De Preekstoel', juichen we, te vroeg. We zijn pas halverwege.

Prédikélószék ligt in de `knie' van de Donau, het bergachtige gebied ten noordwesten van Budapest, waar de Donau een bocht naar het zuiden maakt en richting boedapest stroomt. Het daar gelegen Szentendre was in de zeventiende eeuw toevluchtsoord voor Servisch-orthodoxe christenen, die na een mislukte opstand tegen de Turken in Kosovo massaal naar het noorden vluchtten en asiel vonden in het Habsburgse rijk. Zij drukten, door de bouw van een groot aantal eigen kerken, hun stempel op de stad. Szentendre is anno 1999 nog steeds een pittoresk stadje, zij het met een overdaad aan souvenirshops, die wanstaltig aardewerk en andere artisanale parafernalia aan de man brengen.

Verderop ligt Visegrád – de `tweede hoofdstad' van Hongarije – dat zijn gouden eeuw beleefde onder de grote renaissancekoning Matthias Corvinus (1458-1490), een kunst- en architectuurliefhebber. Tijdens de invasie van Turken in de zestiende eeuw werd Visegrád verwoest. Hongarije heeft door de loop der eeuwen heel veel invasies en bezettingen te verduren gehad van onder anderen Mongolen, Turken, Duitsers en Russen. Dat er in de Donua-knie weinig oude architectuur valt te bewonderen, is grotendeels het gevolg van die invasies. De Solomon-toren van Visegrád, die gedeeltelijk is heropgebouwd met smakeloze betonblokken, staat symbool voor de culturele vernietiging.

Het hele gebied leent zich uitstekend voor lange natuurwandelingen. Goede wandelkaarten vind je in Boedapest en bijna op elke camping. De landschappen in de knie zijn gevarieerd en mooi. Wie vanuit Budapest stroomopwaarts langs de Donau wandelt, waant zich het ene moment op Hollandse dijken om even later in de moerassen van Louisiana te belanden. Eenmaal aangekomen in Szentendre zien we in de verte het bosrijke Pilis-gebergte. Daarachter liggen Visegrád en de Preekstoel.

De laatste honderd meter naar de Preekstoel zijn gelukkig minder steil. De smalle bergkam heeft zich verbreed en het pad leidt ons een bos in. De metamorfose is aangenaam, want tot dan toe was er geen ontsnappen aan de fel brandende zon. We wandelen door een donkere tunnel van bomen naar een open plek in het bos en constateren dat het nu wel heel erg een religieuze ervaring aan het worden is.

Het goeddeels kaarsrechte pad naar de Preekstoel is a-typisch voor de Donau-knie. De meeste wandelpaden kronkelen door bossen en gaan langs beekjes en zijn niet overdreven steil. Wie de muggenterreur in de bossen voor lief neemt, gaat een gemoedelijke wandeling tegemoet. De oudste paden dateren van 1869. Het gaat meestal om zogeheten zwerfpaden: bij splitsingen kun je willekeurig rechts- of linksaf slaan, uiteindelijk kom je altijd weer het op bomen geschilderde, vertrouwde rood-witte vlaggetje tegen.

Na anderhalf uur bereiken we de top. De Preekstoel blijkt een overhangende platte rots te zijn – met daar vlak naast een groot en lelijk houten kruis. Doorweekt en afgepeigerd ploffen we neer. Veel zin in preken hebben we niet. Bovendien zou niemand ons horen.