Ingenieur aan de deur

`Ingenieurs op de tram die je kaartje knipten! Zo erg was de werkloosheid in de crisisjaren.' Een schrijnender voorbeeld kon mijn vader bijna niet verzinnen over de economische crisis in de jaren dertig. Sinds enkele weken is het een jurist die bij mij de krant bezorgt. Dat wil zeggen: 's ochtends vroeg. 's Avonds is het een chemicus. De een komt uit Afghanistan, de ander uit Irak.

Jarenlang waren het dikke, slecht uitgeslapen kinderen in een trainingspak die de krant kwamen brengen. Kansarm, maar met een hoog tempo. Snel terug naar de chips en televisie.

Nu is het soms wachten geblazen. Als het vermoeden stijgt dat het er vandaag niet meer inzit, fiets ik wel eens naar het verdeelcentrum. Vriendelijk word ik te woord gestaan en krijg ik m'n krant mee. De baas spreekt nog het beste Nederlands. Hoe gering de woordenschat bij de bezorgers ook is, de onderlinge communicatie gaat in het Nederlands. In het jargon van de krantenjongen. `Goed natellen, anders jij tekort komt.' En: `Altijd twee extra meenemen; voor de zekerheid; anders weer nabezorgen.'

Laatst, bijna een uur over tijd, ging de bel. Een gesoigneerde man van tegen de veertig. Met een mooie snor. `Dag', zei hij, `krant.' Ik vroeg nog wat onnozelheden over hoe druk het was, of hij het had kunnen vinden en of-ie nieuw was. Geen reactie. Wel een vriendelijke glimlach. Hij verstond me niet. Ik wenste hem good luck.