Elektrisch kamerorkest dat orde schepte

Can wordt wel beschouwd als een van de grootste popgroepen uit de geschiedenis. Nu presenteren de vroegere bandleden hun soloprojecten.

PRODUCER/MUZIKANT Brian Eno stuurde zijn welgemeende verontschuldigingen aan de leden van de groep Can. Zijn remixen voor het tribute-album Sacrilege waren mislukt, schreef Eno spijtig, want na dagenlang knippen, plakken en herinterpreteren van geluidsfragmenten was het hem niet gelukt de zeggingskracht van de originele opnamen te benaderen. ,,Een briljante plaat laat zich niet remixen'', verzuchtte Eno.

Niettemin opent zijn bijdrage in de vorm van de pulserende elektronische klankdoedel Pnoom de dubbel-cd Sacrilege (1997) waarop hij met andere toonaangevende hedendaagse popmuzikanten als The Orb, Carl Craig, Sonic Youth en U.N.K.L.E. artistieke schatplichtigheid betracht aan Can, de Duitse experimentele popgroep die in 1978 voor het laatst optrad, maar die met tijdloze cd's als Monster Movie (1969), Tago Mago (1971) en Ege Bamyasi (1972) een oeuvre nalaat dat van blijvende invloed is gebleken op avontuurlijk ingestelde punk-, rock- en technomuzikanten.

Can werd in 1968 opgericht door Irmin Schmidt en Holger Czukay, twee voormalige studenten van modern-klassiek componist Karlheinz Stockhausen. Aan de hand van platen van The Velvet Underground en The Mothers Of Invention stelden zij vast dat de rockmuziek van de late jaren zestig een grotere vrijheid voor hen in petto had dan de gevestigde muziekpraktijk waarin Schmidt als dirigent zijn brood verdiende. Gitaarleraar Czukay betrok zijn jonge leerling Michael Karoli bij het complot en schakelde zelf over op basgitaar, omdat de weinige noten waarmee hij vond dat een bassist kan volstaan, hem in de gelegenheid zouden stellen zich intensief met de geluidstechnische kant van de muziek bezig te houden.

De ervaren freejazz-drummer Jaki Liebzeit zocht naar nieuwe uitdagingen en vond die bij Can nadat een toehoorder hem in een visionair moment van helderheid had ingefluisterd dat hij ,,monotoner moest gaan spelen''. Zanger werd de Amerikaanse beeldhouwer Malcolm Mooney, op de vlucht voor de dienstplicht in Vietnam en even ongeremd als onervaren in de geïmproviseerde schreeuwmonologen waarin hij losbarstte.

De naam Can stond voor `kunnen', maar ook voor het conserveren van vluchtige momenten van inspiratie in een tin can. Ook het Turkse chan (ziel) of het Japanse kan (gevoel, emotie) werden in de overweging meegenomen. In het tijdsgewricht van de Parijse studentenopstand was Can een afkorting van communisme, anarchisme en nihilisme, bedacht Irmin Schmidt achteraf.

Een bevriende galeriehouder stelde de groep een repetitieruimte ter beschikking in een kasteel vlakbij Keulen, waar uren- en soms dagenlang werd geïmproviseerd en waar een bijzondere wisselwerking tussen de goed naar elkaar luisterende muzikanten ontstond. Liebezeit ontwikkelde zich tot een onvermoeibare menselijke drummachine, die zijn liefde voor Afrikaanse muziek liet doorklinken in bezwerende ritmepartijen. Mooney vormde een onmisbaar onderdeel van de ritmesectie, die alleen in James Brown zijn gelijke kende als hypnotiserende human beatbox. Toetsenman Schmidt kon voortbouwen op zijn kennis van etnische en veertiende-eeuwse muziek, en deed dat door vaak met fysiek geweld op zijn toetsen te beuken.

Als enige beatmuzikant in het `elektrisch kamerorkest' kwam Karoli al spoedig tot de overtuiging dat hij niet oeverloos wilde soleren, maar dat Can als een eensgezind resonerend muziekinstrument moest worden beschouwd waarbij de groepsleden als de snaren fungeerden.

Czukay knipte en plakte de snel groeiende stapel twee-sporentapes tot instant compositions die weliswaar van enige structuur werden voorzien, maar die zich onttrokken aan de beperkingen van de gangbare drie-minutenpopsongs. De twaalf uur lange improvisatie Yoo Doo Right kortte hij in tot de twintig minuten die een hele kant van het debuutalbum Monster Movies besloegen.

Toen de door schizofrene aanvallen geplaagde Malcolm Mooney op last van zijn psychiater naar de VS terugkeerde, koos Can de Japanner Damo Suzuki als nieuwe zanger nadat ze hem heupwiegend en zingend op straat hadden aangetroffen. Diezelfde avond stond Suzuki met Can op het podium en na Mooney's agressievere aanpak veranderde de sfeer in dromerig en oosters mysterieus. Met het opnieuw een hele plaatkant in beslag nemend Halleluhwah bood het dubbelalbum Tago Mago een definiërend moment in de experimentele pop van de jaren zeventig, omdat Can als geen ander de avontuurlijke uitgangspunten in toegankelijke muziek wist om te zetten.

Buiten Duitsland, waar het nummer Spoon een onwaarschijnlijk grote hit werd, maakte Can vooral in Engeland opgang als underground-fenomeen. Ten onrechte werd de groep daar gerekend tot de zogenoemde Krautrock, want afgezet tegen de door prille experimenten met elektronica gedomineerde Kosmische Musik van groepen als Kraftwerk en Tangerine Dream onderscheidde Can zich door de onvergelijkbare nieuwe richting die ze juist met een tamelijk traditioneel rock-instrumentarium insloegen.

Nadat Suzuki het bandlidmaatschap verruilde voor een roeping als Jehova-getuige, ging Can nog enkele jaren door zonder zanger. Het vertrek van Holger Czukay, die zijn interesse in geluidsexperimenten met tape-loops en wereldontvangers niet meer kon combineren met het spelen van basgitaar, leidde tot een minder sterke episode. Percussionist Reebop Kwaku Baah en bassist Rosko Gee uit de groep Traffic werden ingelijfd. Bewonderaar Johnny (`Rotten') Lydon solliciteerde na het uiteenvallen van de Sex Pistols als zanger, maar werd afgewezen en maakte vervolgens met Public Image Ltd. muziek die onmiskenbaar door Can was beïnvloed. PIL's Jah Wobble werkte later met samen Holger Czukay en ook de andere leden van Can waaierden uit in diverse soloprojecten, waarbij ze regelmatig elkaars pad kruisten.

Het alom gerespecteerde platenoeuvre verscheen via het eigen Spoon-label op cd en trekt nog altijd nieuwe bewonderaars, zoals de (techno-)muzikantenclub op de cd Sacrilege illustreert. In 1989 kwam Can, met de weer geestelijk gezonde Malcolm Mooney, nog één keer bij elkaar voor de opname van de cd Rite Time. Het nummer Last Night Sleep verscheen op de soundtrack van de film Until The End Of The World van Wim Wenders, waarbij ze teleurstellend dicht bij het beschaafde en doordachte geluid van een `gewone' popgroep kwamen. De kracht van Can, zo zal een uitgesproken Can-adept als Mark E. Smith van The Fall kunnen beamen, was dat ze op compromisloze manier orde schiepen in de ongeremde vernieuwingsdrang van een tijdperk waarin popmuziek nog niet ondergeschikt was aan radio-formats en marketingplannen.

Ze spelen niet meer samen, de mannen van Can. Op Crossing Border presenteren ze hun `Solo Projects', nadat het dertigjarig bestaan van de groep in Duitsland met vier soorgelijke avonden werd gevierd. Aan nostalgie hebben ze een broertje dood, vertelt Irmin Schmidt in het Can Book dat eerder dit jaar verscheen in een Can Box met een videodocumentaire en twee cd's met oud live-materiaal. ,,De middelste letter van Can staat voor avontuur'', aldus Schmidt, ,,dus áls we iets doen moet het altijd verrassend zijn.''

Zodoende speelt Schmidt in Den Haag met ritmeprogrammeur Jono Podmore als het elektronische duo Kuno, manipuleert Czukay zijn effectapparaten met mede-geluidfreak Gvoon onder de naam Magazine, presenteert Michael Karoli zijn nieuwe groep Sofortkontakt waarbij hij voornamelijk viool speelt en combineert Jaki Liebezeit zijn onnavolgbare slagwerk met drumcomputer in het trio Club Off Chaos.

,,Can'', zo schrijft collega-popmuzikant Julian Cope in zijn enthousiasmerende boekje Krautrocksampler, ,,zal worden herinnerd als een van de grootste bands van de twintigste eeuw. Na 23 jaar heeft hun muziek nog niets aan zeggingskracht ingeboet. Every one of Can's members is a Hero, a Wizard and a True Star.''

Can Solo Projects: 6 oktober Nieuwe Kerk, Den Haag. Can Box is verschenen bij Play It Again Sam (Spoon 41), evenals Sacrilege (Spoon 39/40) en alle oudere cd's waarvan Anthology (Spoon 30/31) een goede uitsnede biedt.

CAN