Een Angelsaksisch model?

Tijdens een bijeenkomst in Bologna, de plaats waar Europa's oudste universiteit is gevestigd, hebben de Europese ministers van Onderwijs in juni jl. besloten het oude Europese universitaire stelsel op te geven en over te stappen op het `Angelsaksische model'. Dat is een verrassende, ja zelfs, om met Sir Humphrey Appleby te spreken, een `moedige' beslissing, al was het maar omdat er helemaal geen Angelsaksisch model bestaat.

Generaal de Gaulle sprak graag, zij het nooit met veel liefde, over `les Anglosaxons', maar wij gebruiken die term niet zo vaak. Het woord heeft volgens het woordenboek verschillende betekenissen, maar hier is kennelijk die van `Engels en Amerikaans' bedoeld. Nu is het waar dat deze landen allebei de universitaire graden van B.A. en M.A. kennen – en daar lijkt de discussie in Nederland op dit moment voornamelijk over te gaan – maar Engeland en Amerika zijn, naar het bekende woord, twee landen gescheiden door dezelfde taal. In Engeland – het woord moet hier in beperkte zin worden opgevat, want in Schotland is het al weer anders – ga je, net als bij ons, naar de universiteit om een bepaald vak te studeren (geschiedenis, scheikunde of wat dan ook) en behaal je daarin na drie jaar je eerste graad, die van B.A. De M.A. titel bestaat ook, maar dat is een tamelijk recent verschijnsel. De doctorsgraad bestaat al veel langer, maar had in de praktijk niet veel betekenis, zeker niet in Oxford en Cambridge. Doctor was een Duits en daarom griezelig en Ph.D. een Amerikaans en derhalve vulgair begrip. Veel beroemde geleerden in Oxford en Cambridge hebben geen andere graad dan die van B.A. Over Engeland kun je moeilijk generaliseren. Dat komt door de grote verschillen tussen de universiteiten en door de in alle opzichten unieke positie van Oxford en Cambridge. Over Amerika kun je al helemaal niet generaliseren, niet alleen omdat het land zo groot is, maar ook en vooral omdat het begrip universiteit er geen eenduidige betekenis heeft. Er zijn universiteiten die naar onze opvatting met dit begrip niets te maken hebben en er zijn instellingen die beter zijn dan Harvard en Berkeley, maar die toch slechts de status van College hebben en niet van universiteit. Op die Colleges draait het om het onderwijs aan de undergraduates. Harvard en Berkeley daarentegen zijn echte research universities. Daar draait het om graduate schools, research grants, Nobelprijzen en ijdeltuiterij. Voor zover er in Amerika al een patroon is te vinden, is het echter anders dan het Engelse. Dat verschil komt voort uit het Amerikaanse College-systeem. In Amerika ga je in eerste instantie naar een College, dat meestal een onderdeel is van een universiteit. De opleiding die je daar krijgt, is in zekere zin een voortzetting van de middelbare school met, soms verplichte, algemeen vormende vakken zoals een vreemde taal, `American history' en niet te vergeten het geheimzinnige `Western Civ'. Later specialiseer je je in een bepaald vak. Na vier jaar behaal je de graad van B.A. De titel van M.A. heeft academisch gezien zeer weinig betekenis. Vaak krijgt iemand die aan de kwalificatievoorwaarden voor de Ph.D. opleiding heeft voldaan bij die gelegenheid, om zo te zeggen voor niks, de M.A. graad, maar die speelt in een universitaire carrière verder geen rol. Daar telt alleen het Ph.D.

Op dit moment wordt in Nederland veel gediscussieerd over die graden van B.A. en M.A. en de verwarring is groot. Er wordt gesproken van drie of vier jaar voor het B.A. en een of twee jaar voor het M.A. Dat is niet erg duidelijk. Ook zouden zowel de universiteiten als de hogescholen die graden gaan verlenen. En bovendien kunnen deze ook nog samenwerken of zelfs fuseren. Zoveel vaagheid is gegarandeerd goed voor enkele jaren van chaos en twisten. Het opmerkelijkste van de hele discussie is echter dat die titulatuur helemaal niet datgene is waar het werkelijk om gaat. Het eigenlijke verschil tussen de Europese en de Angelsaksische – want dit geldt voor beide landen – universiteiten zit hem in het feit dat in deze landen niet de titel telt, maar de plaats waar deze behaald is. De universiteiten bepalen daar namelijk zelf wie zij toelaten. In Europa gaat dat anders. Daar beslist de overheid over de toelatingseisen. De Amerikaanse universiteiten bepalen bovendien doorgaans zelf hun collegegelden. Voor Oxford en Cambridge bestaan speciale regelingen. Ook dat gaat bij ons anders. Hier stelt de overheid de collegegelden vast. Goede of slechte universiteiten, goede of slechte faculteiten, dure of goedkope opleidingen, het maakt allemaal niet uit.

Deze verschillen zijn fundamenteel en ze verklaren de grote verschillen in kwaliteit en rijkdom tussen de universiteiten. In Amerika zijn er een paar staatsuniversiteiten die tot de top behoren (Berkeley, Ann Arbor, Wisconsin bijvoorbeeld) maar de bekendste en over de hele linie beste universiteiten, zoals die van Harvard, Yale, Princeton en Stanford, die tegenwoordig vaak in Nederland als voorbeelden worden genomen, zijn privé-instellingen. Deze beschikken over reusachtige vermogens en vragen bovendien torenhoge collegegelden. Die vermogens zijn het afgelopen decennium ongelooflijk gegroeid. Princeton, dat al veruit de rijkste instelling was, wist in zeven jaar tijd zijn vermogen bijna te verdubbelen. Harvard en Yale groeiden zelfs met meer dan honderd procent. Het resultaat is dat Princeton, dat per capita nog steeds royaal de rijkste is, thans over een vermogen van zevenhonderdvijftigduizend dollar per student beschikt. Dat betekent, zelfs bij de huidige lage rentestand, een inkomen van zo'n zeventigduizend gulden per student per jaar. Het resultaat is dat deze top-universiteiten nu zo rijk zijn dat zij, in hun eeuwige bellum omnium contra omnes, namelijk de strijd om de beste studenten, vrijwel onbeperkt beurzen en financiële steun kunnen verlenen. Zo worden de rijke steeds rijker en de beste nog beter.

Zover zal het in Nederland wel niet komen, maar er zijn op dit gebied wel veranderingen op komst. Verschillen in de collegegelden en een meer marktgeoriënteerde benadering van de student zijn in aantocht. Dat is ook logisch, want deze ontwikkeling beantwoordt aan het streven naar `self help' dat in de hele samenleving te zien is. Dat dit verschijnsel ook het onderwijslandschap zal beïnvloeden spreekt vanzelf. Amerika is ook op dit punt het grote voorbeeld. Onderwijs is daar een `booming business' en dat onderwijs is vooral een zaak van particuliere ondernemingen. Ook dat is logisch. Een goede opleiding is immers, afgezien van goede genen, het belangrijkste comparatieve voordeel dat ouders hun kinderen kunnen meegeven.