De prijs van vrede

DE MOORD OP DE Nederlandse journalist Sander Thoenes in Oost-Timor drukt de wereld weer eens met de neus op de feiten. Vredeshandhaving is een ernstige zaak die veel voorbereiding, kennis van de lokale omstandigheden en vooral geloofwaardigheid vereist. Zoals de toestand in Oost-Timor opnieuw leert, is het verzekeren van de veiligheid van personen in een gebied waar gewelddadigheid endemisch is geworden, een nagenoeg onmogelijke zaak. VN-interventies worden steeds vaker ondernomen om de plaatselijke bevolking in een door terreur getroffen gebied te beschermen tegen de ondergang. Tegelijkertijd zijn de vredeshandhavers, begrijpelijkerwijs, bezorgd om hun eigen veiligheid. Daar komt dan nog eens de aanwezigheid bij van tientallen, en soms veel meer dan dat, vertegenwoordigers van de media, die bovendien meer willen dan het bijwonen van de dagelijkse briefings.

Minister Van Aartsen heeft onmiddellijk bij zijn Indonesische ambtgenoot aangedrongen op opsporing en vervolging van de daders van de aanslag op Thoenes. In de ambiance van de Algemene Vergadering van de VN in New York, waar de diplomatieke zeden in acht worden genomen, klinkt dat als een redelijk en noodzakelijk verzoek. Maar hoe de uitvoering tot stand moet komen onder de omstandigheden in Oost-Timor is raadselachtig. Daar blijken de zogenoemde milities allesbehalve geïntimideerd door de aanwezigheid van een internationale vredesmacht. En ook blijkt het optreden van de Indonesische strijdkrachten ter plaatse niet werkelijk te worden beïnvloed door de afspraken die de Indonesische regering met secretaris-generaal Kofi Annan over de functie van de vredesmacht heeft gemaakt.

ZOALS DE ZAKEN er in en rondom Dili voorstaan, kan niet alles worden verwacht van de in bescheiden aantallen aanwezige Australische en andere militaire eenheden. De voor de uitzending van verslaggevers verantwoordelijken dienen zich dit te realiseren. Natuurlijk blijft ook voor de journalist in het veld waakzaamheid geboden. De oorlogsverslaggeving kent, helaas, een nieuwe bloei. In 1997 en 1998 samen zijn volgens opgave van de Internationale Federatie van Journalisten ten minste 78 mediavertegenwoordigers vermoord `in the line of duty'. Het is een bekend verhaal: de wereld is in communicatieve zin kleiner geworden, de media brengen de gebeurtenissen over grote afstanden rechtstreeks in de huiskamer. Het aanbod schept de behoefte, de vraag schept vervolgens het aanbod. De verslaggevers aan de fronten doen wat van hen wordt verwacht: verslag doen van feiten die voor de afnemers betekenis hebben. De verantwoordelijkheid voor de risico's die ze daarbij lopen of nemen kan niet geheel op anderen worden afgeschoven.

Toch ontslaat dat de regeringen die voor het concept van de vredeshandhaving kiezen niet van een algemenere verantwoordelijkheid. De geschiedenis van Bosnië, Kosovo en nu weer Timor leert dat aan interventies wordt begonnen zonder veel inzicht in de gevolgen en de voor een kans van slagen vereiste middelen. Juist deze week heeft The Washington Post onthullende artikelen gepubliceerd over het bondgenootschappelijke geredekavel over de te volgen strategie nog tijdens de operatie Allied Force tegen Joegoslavië. (De moeizame en maanden vergende weg naar die onderneming was al langer genoegzaam bekend.) Nu staan ook de seinen in Timor op gevaar. De vredesmacht daar dreigt verwikkeld te raken in een uitzichtloze guerrilla.

De dood van Thoenes is een extra aanleiding voor bezinning. Wie de vrede wil handhaven moet van beteren huize komen.