De basisvorming is wel degelijk mislukt

De onderwijsinspectie heeft onlangs rapport uitgebracht over de resultaten van de basisvorming. Op het eerste gezicht is er niet veel aan de hand. Maar wie goed leest en vooral goed kijkt, komt tot een diametraal tegenovergestelde conclusie, meent Ton van Haperen.

Als kinderen naar de middelbare school gaan, maken zij een keuze uit VBO, Mavo, Havo of VWO. Voor onderwijsconsumenten bestaat de basisvorming niet, voor politici wel. Van hen moest het zo nodig, begin jaren negentig. De middenschooldiscussie zoemde al enige tijd rond, `het veld' wilde niet, het idee moest wel ergens toe leiden en het compromis basisvorming was geboren.

Schooltypes bleven gehandhaafd, terwijl de geformuleerde doelstellingen voortkwamen uit de middenschooldiscussie. Zo was uitstel van studie- en beroepskeuze een belangrijk punt. Daarnaast wilden de beleidsmakers een moderner aanbod van kennis voor alle leerlingen in Nederland. De bedoeling was mooi, maar dat zijn bedoelingen wel vaker. Het gaat erom of ze haalbaar zijn in de omgeving van relatieve armoede waarin het onderwijs verkeert. Het is dan ook niet meer dan logisch dat na een jaar of vijf gekeken wordt of de belofte is ingelost.

De inspectie heeft dit onderzocht en de resultaten zijn terug te vinden in een onlangs gepubliceerd rapport met een gematigd positieve inhoud. Het idee basisvorming is goed, we zijn op weg en met wat kleine bijsturingen lukt het wel. Bovendien plaatst de inspectie een voorbehoud. Het is nog te vroeg voor een eindoordeel, de resultaten van onderwijsvernieuwing kunnen na vijf jaar nog niet zichtbaar zijn.

Op het eerste gezicht is er niet veel aan de hand. Wederom een door een overheidsdienst geproduceerd rapport dat de kool en de geit spaart. Nadere bestudering laat zien dat wel degelijk nare kantjes naar boven komen. Bij de evaluatie worden hedendaagse trends ontkend en cijfers verkeerd geïnterpreteerd, waardoor conclusies bizar worden en weinig over de huidige praktijk zeggen.

De invoering van de basisvorming beoogde een verhoging van het niveau van jeugdonderwijs en een uitstel van definitieve schoolkeuze te bewerkstelligen. De inspectie beweert dat op beide terreinen vooruitgang is geboekt, want er zijn meer zogeheten dakpanbrugklassen – VWO/Havo en Havo/Mavo – en de deelname aan het Havo/VWO-onderwijs is toegenomen. Hier maken de onderzoekers een denkfout: een beweging van cijfers wordt gekoppeld aan een verkeerde verklaring. Er zijn de afgelopen jaren verhoudingsgewijs inderdaad meer leerlingen naar het VWO/Havo gegaan, maar dat heeft niks met de basisvorming te maken. Ouders willen dat hun kind zoveel mogelijk bereikt in de maatschappij, een oerwens die krimpende scholen in een overlevingsstrijd ontmoet. Het gevolg hiervan is dat instellingen met de minste status kapotgaan, terwijl degene die wat meer bieden overeindblijven, een mechanisme waar het beroepsonderwijs aan ten gronde is gegaan. Dit is dan ook geen indicatie voor een verhoging van het niveau van jeugdonderwijs.

Bovendien is de trend door de invoering van het studiehuis en de aanstaande leerwegen aan het omslaan. Meet over een paar jaar nog maar eens. Het tweede fase-programma op het Havo is zo zwaar, dat een leerling die daar in twee jaar voor slaagt net zo goed drie jaar VWO kan doen. Zonder maatregelen valt dan ook te verwachten dat het Havo langzaam maar zeker wegkwijnt. Dit impliceert dat straks een kind van twaalf kan kiezen tussen een VWO- en een VMBO-brugklas, waarbij de laatste opgesplitst wordt in een VBO- en een Mavo-variant.

Heterogenisering van de brugperiode in de vorm van dakpanklassen, zoals de inspectie meent te bespeuren, is allang op zijn retour. Als de basisvorming beoogt kansenongelijkheid te bestrijden door kinderen langer met elkaar eenzelfde programma te laten volgen, dan is sprake van een totale mislukking. Momenteel vindt de definitieve keuze van schooltype op twaalfjarige leeftijd plaats. Het is de basisschool die bepaalt naar welke homogene brugklas een kind gaat. Wil de overheid hier iets aan veranderen dan zal ze dit centraal moeten afdwingen en dan nog is de kans van slagen uiterst gering, simpelweg omdat er geen draagvlak voor is.

Het besef dat het niet helemaal gaat zoals bedoeld, bestaat natuurlijk best bij de inspectie, alleen ligt dat niet aan de beleidsmakers. De schuldigen zijn volgens het rapport de uitvoerders, die saboteren. Slechts 20 procent van de onderwijsinstellingen is goed bezig, de rest middelmatig tot slecht. Binnen de scholen doen leraren het verkeerd. Zij geven overwegend klassikaal, methodegebonden en saai les en worden dan ook opgeroepen tot kwaliteitsverbetering. Zij moeten hun didactisch gedragsrepertoire veranderen, bewust de leerstof plannen en variatie aanbrengen in de lessen. Helemaal waar, dat zou zeker moeten en er is niemand die dat ontkent. Allemaal zouden ze graag wat meer variëren, maar een leerkracht die een klas twee lessen per week ter beschikking heeft, terwijl de kinderen ook nog veertien andere vakken hebben, kan vaak niet anders dan het accent op boek en reproductie leggen. Ook die leraar begrijpt dat er andere, meer zinnige vormen van kennisverwerving zijn. Eindtermen en versnippering van aanbod door een teveel aan vakken laten hem echter geen keuze.

De staatssecretaris erkent het probleem en doet het voorstel de lesweek terug te brengen tot 30 uur en de twee vrijkomende uren te besteden aan bijscholing van de leerkracht. De kinderen naar huis en de leraren naar school is een keurig budgettair neutrale maatregel, maar vijftien vakken in minder lessen is natuurlijk geen oplossing. Het falen is structureel en het lijkt dan ook verstandig om echt iets te veranderen. Van het begin af aan is gesteld dat techniek en verzorging in het algemeen vormend onderwijs niets te zoeken hebben en die kunnen dan ook zonder kwalijke gevolgen verwijderd worden. Mocht aan de kerndoelen gehecht worden dan zijn die bij andere vakken onder te brengen. Daarnaast heeft het VBO nooit plezier gehad van een extra vreemde taal en een aantal kennisvakken. Er moet gewoon het een en ander uit en iedereen weet wat en waar.

De staatssecretaris zegt dan dat niemand op een stelselvernieuwing zit te wachten. Nee, dat klopt, maar een aanpassing die het stelsel werkbaar maakt, is meer dan welkom en zal er misschien voor zorgen dat leraren ook in de lagere klassen eindelijk een begin kunnen maken met modern onderwijs.

Ton van Haperen is leraar economie in het voortgezet onderwijs.