Zorg IMF over instabiele economie

De wereld volgde in de jaren negentig keurig de neoliberale receptuur van hervormingen en liberalisering. Maar de beloofde economische stabiliteit heeft dat volgens het IMF opmerkelijk genoeg niet opgeleverd.

Liberaliseer de economie, maak de arbeidsmarkt vrijer, verlaag de drempels voor de wereldhandel, maak de kapitaalstromen vrij, breng de begrotingstekorten terug en mik op een lage inflatie. En alles komt vanzelf goed. Zo luidde het motto waarmee de wereldeconomie de jaren negentig inging. Het neoliberale concept zou vanzelf leiden tot grotere investeringen, een hogere groeivoet van de economie, een lagere werkloosheid en een toenemende welvaart voor iedereen. The greatest good for the greatest number.

Aan het eind van de jaren negentig, zo concludeert het Internationale Monetaire Fonds in zijn World Economic Outlook, heeft de receptuur in grote lijnen succes gehad. De recessie die de Azië-crisis op de wereld losliet, blijkt de mildste te zijn geweest van de vier dalen die de wereldeconomie sinds begin jaren zeventig doormaakte. En de koploper van de internationale economie, de VS, vestigt op dit moment een duurrecord van hoge economische groei. Maar niet alleen was de welvaartsgroei de afgelopen tien jaar ongelijk verdeeld, ook de beloofde macro-economische stabiliteit is goeddeels uitgebleven. Een opsomming van de calamiteiten van de laatste tien jaar spreekt boekdelen: de twee valutacrises in Europa van 1992 en 1993, de Mexico-crisis van 1995, de Azië-crisis, de Russische en begin dit jaar de Braziliaanse crisis. Er vonden grote schommelingen plaats in de wisselkoersen van de belangrijkste industrielanden – vooral in de dollar-yenkoers. Er waren zeepbellen op de aandelen- en onroerendgoedmarkten die knapten, in Japan, de Scandinavische landen en Zuidoost-Azië. En er waren bankcrises `in de meeste regio's van de wereld'.

Waarom, vraagt het IMF zich af, is het aantal en het tempo van crises niet afgenomen nu vrijwel de gehele wereld zich heeft bekeerd tot financieel en monetair beleid dat de stabiliteit had moeten bevorderen? De economen van het Fonds onderscheiden de volgens hen vier belangrijkste veranderingen van dit decennium.

Allereerst is de inflatie wereldwijd inderdaad teruggedrongen, en zijn ook onderlinge inflatieverschillen tussen landen minder groot dan voorheen. Of dat zo blijft valt volgens het IMF overigens nog te bezien. De lage en dalende inflatie is echter gepaard gegaan met steeds grotere prijsschommelingen op de aandelenmarkten. En die prijsschommelingen hebben bijgedragen aan macro-economische instabiliteit.

De tweede verandering is dat de liberalisering van het nationale en internationale kapitaalverkeer, waarvoor de basis werd gelegd in de jaren zeventig en tachtig, in de jaren negentig tot volle bloei is gekomen en heeft geleid tot een snelle internationale integratie op financieel gebied. Als gevolg daarvan zijn er ongekende kapitaalstromen op gang gekomen, met name van industrielanden naar opkomende markten – zoals die in Azië. Het kapitaal vloeit van landen met een lage economische activiteit (zoals in de jaren negentig Japan en ook West-Europa) naar landen waar de activiteit hoog is, en het economische tempo juist door de instroom van steeds meer kapitaal onhoudbaar werd. Maar ook tijdens de Azië-crisis stroomde er juist kapitaal naar de Verenigde Staten, die door beleggers werden gezien als vluchthaven. Het IMF vraagt zich af hoe houdbaar het tempo van de Amnerikaanse economie zal blijken als Azië, Japan en Europa hun economisch herstel doorzetten en de kapitaalstroom naar de VS opdroogt.

Dat heeft geleid tot een derde verandering: juist door de grotere internationale verwevenheid, hebben verbanden tussen landen zich gewijzigd. Totnutoe was de conjunctuur van ontwikkelingslanden, via de internationale handel, nauw verweven met die van de industrielanden. Maar in de vroege jaren negentig, toen het Westen een zwakke conjunctuur doormaakte, ging het juist zeer goed met de meeste opkomende markten. Andersom had de Azië-crisis nauwelijks economisch effect op de Verenigde Staten en blijkt ook Europa zich verrassend goed staande te hebben gehouden. De vrije stroom van kapitaal van recessielanden naar boom-landen versterkt de conjunctuurverschillen.

De vierde verandering is dat zwevende wisselkoersen – of werkelijk vaste arrangementen zoals de euro – hebben geprevaleerd boven allerlei halfwassen wisselkoersregime`s. Maar hoewel het afnemen van inflatieverschillen tussen landen had moeten zorgen voor minder fluctuaties van zwevende wisselkoersen, is het omgekeerde gebeurd. Ook hierachter kan de grotere vrijheid van het kapitaal een factor zijn, samen met de toegenomen diversiteit van de wereldwijde conjunctuurcycli.

Wat is de gemeenschappelijke verklaring voor het feit dat de instabiliteit kennelijk is toegenomen? Het IMF wijst er op dat het ogenschijnlijk bereiken van een lage inflatie en het streven naar macro-economische stabiliteit door de autoriteiten, beleggers juist kan hebben aangemoedigd om steeds grotere risico's te nemen. Die grotere risicobereidheid resulteert in grote schommelingen op de beurzen en onroerend-goedmarkten. En omdat kapitaal vrijer is dan ooit tevoren, worden die risico's nu dwars over de aardbol heen genomen.

Juist omdat prijsschommelingen van activa een grotere rol spelen in de economie, pleit het IMF er voor om niet alleen de prijsinflatie van goederen en diensten, maar ook die van aandelen en onroerend-goedprijzen te betrekken bij het monetaire beleid van centrale banken. De autoriteiten houden immers de taak, ook al is de inflatie met succes teruggedrongen en raken begrotingen steeds beter op orde, om te waken over de macro-economische stabiliteit. Want, zo stelt het IMF, ,,de ontwikkelingen in de jaren negentig, en de hypotheses waartoe zij aanleiding geven, zijn niet bepaald geruststellend''.