Vogeltje

De ooievaars zijn al een maand geleden vertrokken, de nesten staan leeg op de schoorstenen, maar het is nog steeds zomers warm.

Dit Zuid-Hongaarse dorp bestaat uit witte huizen links en rechts van de beek, tuinen, twee kerkjes, oude wilgen, eiken en notenbomen, kippen, honden, paarden en wagens, loslopende varkens, kinderen, Hongaren, Schwaben, zigeuners, en een burgemeester die zelf zwetend het gemeentegras maait. Hele middagen is hier geen mechanisch geluid te horen: alleen stemmen, zeisen, een hond, het gekraak van een kar. Dat heeft niets met ecologie te maken, maar alles met armoede: een liter benzine kost, omgerekend naar wat men verdient, al gauw een gulden of 15.

Vrienden hebben het huis van de dode kapper betrokken. Op zolder vonden ze een minuscuul notitieboekje, vol potloodkrabbels uit het voorjaar van 1945 en plaatsnamen als: Aalborg, Lübeck, Stuttgart, Berlijn. Iemand ontcijfert een paar bladzijden. Er staat:

`In het krijgsgevangenenkamp Hagenau. Oh, mijn God, ik heb niemand op deze wereld. Misschien is er, als ik terugkom, zelfs geen meisje meer voor me in het dorp. Ik ben als een kleine vogel die in de verte roept. Niemand kijkt naar de lieve moeder en dat kleine vogeltje. Oh, mijn God, help me alsjeblieft naar huis, naar mijn vader en mijn moeder. Zo ver van mijn land, zo ver van iedere weg.'

Gisteren was een historische dag: de vuilnisman deed voor het laatst de ronde met paard en wagen, hij kocht een vrachtwagen. Werkloze zigeuners zijn begonnen met het verharden van het laatste stukje zandweg. Vanaf nu zal alles snel gaan, reken maar.