Vervreemdende klanken van Holliger

Een angstaanjagend hoge A suist door Heinz Holliger's Gesänge der Frühe in een imitatie van Schumanns gehoorshallucinaties. Genie en waanzin is het thema, Schumann en Hölderlin zijn de protagonisten. Ook in de gisteravond in Amsterdam voor het eerst volledig uitgevoerde Scardanelli Cyclus speelt dit thema, zij het nu geheel betrokken op de romantische dichter. En ook in de cyclus klinkt in het deeltje Ad Marginem op de tape de hoogste en de laagste waarneembare toon waarbinnen musici en luisteraars claustrofobisch gevangen zijn.

Toch is er een verschil. De Gesänge hebben een reportage-achtig karakter, de cyclus is gestileerder, abstracter en artistieker zo men wil. Tempoaanduidingen als 36, 37 en 73 verwijzen naar Hölderlins levensfasen: 36 staat voor zijn gezonde jaren, 37 voor de laatste waarin hij werd verpleegd in de toren van de stadsmuur van Tübingen – over claustrofobie gesproken –, 73 tekent de leeftijd die hij bereikte. De hermetisch afgesloten gedichten uit de laatste fase ondertekende de dichter met `Rosetti', `Buonarotti' of `Scardanelli' en al even hermetisch naar binnen geslagen klinkt de muziek.

Holliger was 36 toen hij in 1975 aan de cyclus begon. In Nederland genoot hij bekendheid als ongeëvenaard hoboïst, in kleinere kring dwong hij bewondering af door eerste uitvoeringen van Erde und Himmel uit 1963 en Siebengesäng uit 1968 – daarna werd het stiller. De grote gebaren uit de vroegere werken zijn verdwenen, maar de ijzige muziek is er beslist niet minder op geworden. Niet het geweld imponeert, daarin hoor ik een verbleekt jaren '70-geluid. Holligers kracht schuilt in de versluierende vervreemdende klank: expressief op een niet expressieve wijze, kleuren met niet-kleuren. Zoals in Sommer II uit het onderdeel Die Jahreszeiten, in een muziek van de nacht, wonderschoon weeklagend in melancholisch maniërisme dat wordt veroorzaakt door de halve toonsafstanden expressieloos te zingen, de kwarttonen met een weinig expressie en de kleinste achtste tonen juist heel expressief. De werking is benauwend bitterzoet. Er zijn vijf ook afzonderlijk te presenteren delen die in elkaar geschoven worden met in het centrum een fluitsolo als eerbetoon aan de fluitist Hölderlin, die stapels muziek bezat. Hij wist zelfs de filosoof Hegel, die bij hem woonde – beide studeerden voor predikant – aan te zetten tot een driedelige muziekesthetiek.

Zoals de uitgedunde sublieme solo het centrum van de gehele cyclus vormt, zo heeft het dunste deel Frühling I eveneens een centrale rol, hees gezongen met verstikkende stem, verkrampt en persend de grenzen van het lichamelijke verkennend.

Ook Kagel maakt gebruik van dergelijke geboorteweeën in klank, ook hij wordt gefascineerd door figuren als Hölderlin en Schumann. Maar terwijl Kagel weet te relativeren, is het Holliger bloedige ernst. En vooral daarvan getuigde de uitvoering op het allerhoogste niveau, schitterend afgewogen tot in de allerfijnste gradaties. De Concertzender was zo attent dit uitzonderlijke document vast te leggen.

Concert: Nederlands Kamerkoor en Ensemble MusikFabrik o.l.v. Heinz Holliger, met Helen Bledsoe, fluit. Holliger: Scardanelli Cyclus. Gehoord: 21/9 Concertgebouw Amsterdam.