Veel eelt

`Zoo ik ièts ben, ben ik een Hagenaar', schreef Couperus. Het citaat staat onder het beeldje van hem op het Lange Voorhout in Den Haag.

Ik kan het hem niet nazeggen. Ik had Den Haag zelfs nooit op Prinsjesdag bezocht. Daar moest nu maar eens een einde aan komen, zo op de scheiding van twee eeuwen, om met AVRO's altijd bescheiden Karel van de Graaf vanaf het Binnenhof te spreken.

Ik kan overtuigde republikeinen aanraden op Prinsjesdag een kijkje in Den Haag te nemen. Het zou hen snel overtuigen van de vergeefsheid van hun streven. Uit alle hoeken van het land komen ze, de Oranjegezinden. Moeders met een zagte g, die 's morgens om acht uur uit Maastricht zijn vertrokken, stokoude vrouwen in klederdracht die de hele middag met een oranje-vlaggetje van de Haagse stadsradio wapperen, een grijsaard met leverplekken in de hals die met verstikte stem zegt: `Dit kon wel eens mijn laatste Prinsjesdag zijn'.

We stonden met z'n allen dichtbij de Korte Vijverberg toen de koningin arriveerde in haar gouden koets, en we zagen geen donder. Hoewel, Pieter van Vollenhoven en profil, dat is natuurlijk niet helemaal niks. Het had geen invloed op de blijmoedigheid van de Oranjeklanten. Netzomin als daarvoor het lange wachten, dat ze gedood hadden met joviale opmerkingen aan het adres van langsschrijdende grootheden, als daar waren de commissarissen der koningin, Alders, Van Kemenade en Nijpels (`wel effe teruggroeten, Ed').

Terwijl de koningin haar troonrede voorlas, liep ik om het Binnenhof heen. Overal dichte rijen mensen, witte, Hollandse mensen vooral, want de migranten kan het koninklijk huis kennelijk gestolen worden. Ik liep door naar het Lange Voorhout waar de stem van de koningin uit geluidsboxen plechtig over enkele volle tribunes waaide. Ook hier veel ouderen en weinig jeugd – er moet ook nog gewerkt worden in dit land om de grijnslach van Zalm breed te houden.

En weer: wachten, wachten op die vriendelijke, maar afstandelijke dame met de vermoeide schim naast haar, amper herkenbaar achter het donkere glas van de koets. Gelukkig bleek Pieter van Vollenhoven ook op de terugreis ontembaar, niemand zwaait zo uitgelaten als hij, hier heeft een man zijn roeping gevonden.

Maar waar was de kroonprins? Ik zocht hem en vond hem niet. Pas uren later kreeg ik daarvoor enige broodnodige compensatie. Ik dwaalde door een tentoonstelling in de Pulchri Studio (`beschermvrouwe Hare Majesteit de Koningin') en stuitte op een groot, hoogst merkwaardig portret van Willem-Alexander. Het was van de hand van Pien Hazenberg en het heette Maxima Culpa. Het bestond uit honderden stukjes gekleurde kauwgom en eelt op linnen. Ze vormden een fascinerend, goed gelijkend portret van de prins, inclusief diens blauwe ogen.

Kauwgum en eelt? Ja, ik heb het stiekem zelf gevoeld. Of de kunstenares haar eigen eelt had gebruikt, vermeldde de verkooplijst niet. Wél de prijs: 4.500 gulden.