Salman Rushdie gepasseerd

Salman Rushdie liep zich alvast warm. Wie de geruchtenmolen hoorde rammelen en wie hem in de weer zag met televisieploegen in zijn kielzog, zou denken dat hij de Booker Prize al had gewonnen. Maar op de gisteravond bekendgemaakte short list komt Rushdie's jongste gooi naar de belangrijkste Britse literaire onderscheiding niet voor.

Het hoort bij circus-Booker: de afwezigen zijn aanvankelijk net zo belangrijk als de genomineerden. Zo viste Vikram Seth ook achter het net. De voorspelde eindstrijd tussen twee romans van schrijvers van Indiase afkomst – Rusdie's The Ground beneath her Feet en Seths An Equal Music, die in de jury allebei één voorvechter hebben – komt er dus niet. Zeker zo'n opvallende afwezige is de Ier Roddy Doyle, die met A star called Henry zijn eerste en juichend ontvangen historische roman schreef, over de Ierse onafhankelijkheidsstrijd. Zijn eer is gered; hij won al eens (in 1993), net als Rushdie (in '81).

Uit de 129 gegadigden voor de 31ste Booker-prijs, die op 25 oktober wordt uitgereikt, nomineerde de jury onder leiding van Labour-parlementariër Gerald Kaufman deze zes:

J.M. Coetzee met Disgrace (uitg. Secker & Warburg). Als de Zuid-Afrikaanse auteur wint, wordt het zijn tweede Booker. Hij won ook in '83. In deze roman gaat een ontslagen professor op zoek naar zijn dochter in de oostelijke Kaapprovincie.

Michael Frayn met Headlong (uitg. Faber). Frayn, oud-journalist van The Guardian, heeft een serie romans en toneelstukken op zijn naam. De hoofdpersoon van Headlong probeert een landeigenaar tevergeefs vier schilderijen afhandig te maken. De Britse wedkantoren, die traditiegetrouw op de Booker laten inzetten, tippen Frayn als favoriet.

Anita Desai met Fasting, Feasting (uitg. Chatto & Windus). De Indiaas-Duitse auteur, meermalen genomineerd, schreef een satire op het Amerikaanse familieleven.

Andrew O'Hagan met Our Fathers (uitg. Faber). O'Hagan, debutant, ook ex-Guardian en ook kansrijk, schreef over vaders in Glasgow. Ze drinken te veel en doen hun kinderen pijn.

Colm Tóibin met The Blackwater Lightship (uitg. Picador). Tóibins schrijven is engagement. Dit keer over een jonge Ier die aan aids overlijdt, of, zegt de kritiek, is het een metafoor voor zijn land?

Ahdaf Soueif met The Map of love (uitg. Bloomsbury). De Egyptische laat twee liefdesgeschiedenissen, een oude en een nieuwe, door elkaar lopen. Decor: Engeland en Alexandrië.

De Booker zou evenmin de Booker zijn zonder een relletje over de prijs zelf. Dit jaar gooide Martyn Goff, sinds 31 jaar wedstrijddirecteur, een steen in de vijver. Het prijzengeld (21.000 pond, bijna 70.000 gulden) kon wat hem betreft wel worden afgeschaft, zei hij gisteren, omdat het ,,niet van belang is''. Andere prijzen geven meer en bovendien maakt de Booker van de winnaar zo goed als zeker binnen een paar weken een miljonair, aldus Goff.

Een plek in de Booker-kopgroep maakt overigens niet per se gelukkig. Ian McEwan, winnaar van vorig jaar, heeft recent meer aandacht getrokken door zijn publiek uitgevochten scheiding dan met zijn novelle Amsterdam. Magnus Mills, met The Restraint of Beasts vorig jaar een populaire net-niet-winnaar, klaagt dat iedereen hem nog steeds ziet als ,,die schrijvende buschauffeur''. Binnenkort verschijnt zijn tweede boek: All Quiet on the Orient Express.