Moestuin of lustoord

Een zaterdag aan het eind van de zomer. Op Volkstuinvereniging Tuinderslust in Rotterdam worden kruiwagens vol tuinstoelen en kussens naar auto's gereden. De zonnepanelen zijn ontmanteld, de gasfles is ontkoppeld, de tuin is `winterklaar'. Nu de scholen zijn begonnen pakken de `zomergasten' massaal hun boeltje.

Volgens het ministerie van Landbouw bezitten 240.000 mensen in Nederland `een tuin buiten huis'. Deels zijn ze georganiseerd in verenigingen, veelal daterend uit de jaren dertig, toen de volkstuin een onmisbare voedselbron was voor de vele werklozen.

De volkstuin werd toen ook wel `armentuin' genoemd. Ook in de hongerwinter van 1944 hield de opbrengst van de zelfgeteelde aardappelen en kool menig volkstuinder en diens familie op de been.

Volkstuinder Henk Bijleveld: ,,Ik kom uit een gezin van negen kinderen. Vijf oudere broers moesten werken in Duitsland, maar ik ontsnapte. Mijn moeder was invalide en mijn vader leed aan hongeroedeem, dus bewerkte ik de grond totdat het te gevaarlijk werd. Dat was toen Duitse soldaten uit wraak op de sabotage van een spoorlijn granaten op de huisjes gooiden.''

In de jaren vijftig veranderden de volkstuinen van karakter door de toegenomen welvaart. De moestuin werd minder belangrijk dankzij een ruim aanbod van betaalbare groenten.

De tuinder verving zijn aardappelveldje door een siertuin en maakte een terras voor het tuinhuisje. `Netjes' was het credo, het gras werd gemillimeterd, geen onkruidje te bekennen. En toen de auto gemeengoed werd, sleepten de volkstuinders behalve tuinstoelen ook bedden, tv's en koelkasten mee naar hun tuin. Tuinieren was recreëren geworden en tot midden jaren tachtig bleven de lustoordjes aan de rand van de stad onverminderd populair.

Toen kwam de kentering. Bij de meeste Rotterdamse complexen begonnen de wachtlijsten eind jaren tachtig te slinken, zegt Ivonne Hitzert van de Rotterdamse Bond van Volkstuinders. ,,In de jaren zestig telden wij ruim 8.000 leden, nu ruim 5.000.''

De kinderen en kleinkinderen van de arbeiders uit het begin waren hoger opgeleid dan hun ouders en hadden betere banen. Gezinnen vertrokken uit de binnenstad naar een huis met tuintje in Ommoord of Watergraafsmeer. Spanje en de caravan in Zeeland of op de Veluwe werden de nieuwe recreatieoorden. Ook moesten veel volkstuinen wijken voor stadsuitbreiding of voor de aanleg van spoorlijnen en wegen.

Volgens Herman Vroklage van het Algemeen Verbond van Volkstuinverenigingen in Nederland leeft de vraag naar volkstuinen de laatste tijd weer op. ,,Campinggasten keren terug en de volkstuin is niet meer het exclusieve domein van de autochtone man. Er melden zich veel vrouwen aan, maar ook allochtonen en jonge gezinnen.''

De allochtonen slopen de terrassen en beginnen een groentetuintje. En de nieuwe generatie tuinvrouwen pakt zelf de schop, meewarig bekeken door de resterende `oude rotten'. Want je ziet zo dat vrouwen niet kunnen tuinieren. Het gras is te lang en de borders zijn maar rommelig. Het aanzien van de volkstuinen zou het komende decennium wel eens drastisch kunnen veranderen.