Mestplan is wel degelijk juridisch haalbaar

In weerwil van wat sommigen beweren, namelijk dat het mestplan zal sneven voor de Haagse rechtbank, kunnen de nieuwe voorstellen de juridische toets der kritiek zeker doorstaan,

meent L.J. Brinkhorst.

Het nieuwe stelsel van mestafzetcontracten zal bij de rechter op dezelfde problemen stuiten als de Wet herstructurering varkenshouderij. Althans, dat beweerde P. de Haan in deze krant van 15 september.

Hij verwees daarbij naar de in het tussenvonnis van de Haagse rechtbank van 23 december 1998 geconstateerde (mogelijke) strijdigheid van die wet met de gemeenschappelijke marktordening en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Als voornaamste probleem ziet De Haan de onevenredigheid tussen doel en middelen, die zich zowel bij de Wet herstructurering varkenshouderij als bij de nieuwe mestplannen zou voordoen.

De landbouw in Europa wordt gekenmerkt door een hoge productiviteit, die mede het gevolg is van een intensieve bemesting van landbouwarealen. De keerzijde hiervan is dat de niet door gewassen opgenomen mineralen als nitraat en fosfaat terechtkomen in het grondwater en het oppervlaktewater. Met het oog op deze ernstige milieuproblematiek is in 1991 een richtlijn gekomen die de bescherming van het water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen tot doel heeft. Deze EG-Nitraatrichtlijn verplicht alle lidstaten tot regelgeving waarmee wordt verzekerd dat de door de richtlijn voorgeschreven maximale normen voor de aanwending van mineralen op bedrijfsniveau niet worden overschreden. Deze normen brengen voor alle bedrijven in de Europese Unie beperkingen met zich.

Uit het met redenen omklede advies dat de Europese Commissie op 3 augustus 1999 heeft uitgebracht, blijkt ondubbelzinnig dat het huidige Nederlandse pakket van maatregelen in de ogen van de Europese Commissie nog steeds onvoldoende en ontoereikend is om aan de strenge eisen van de richtlijn te voldoen. De dreigende veroordeling door het Europese Hof van Justitie moet consequenties hebben voor het beleid. Nederland kan zich niet onttrekken aan de verplichtingen van de EG-Nitraatrichtlijn. Dit betekent dat Nederland er niet aan ontkomt om, conform deze richtlijn, strenge normen door te voeren. Voor een effectieve aanpak van de mestproblematiek moet derhalve de zekerheid bestaan dat de mestoverschotten op verantwoorde wijze afgevoerd worden.

Tegen deze achtergrond heeft het kabinet besloten een stelsel van mestafzetcontracten te introduceren.

De kern van het stelsel is dat een veehouderijbedrijf slechts kan produceren wanneer aangetoond wordt dat de mest kan worden afgezet op het eigen bedrijf, op een ander landbouwbedrijf, of buiten de landbouw (verwerking/verbranding). De hoeveelheid mest die kan worden afgezet of aangewend is direct gerelateerd aan de op grond van de EG-Nitraatrichtlijn voorgeschreven normen. Een correcte uitvoering van de EG-Nitraatrichtlijn kan niet anders dan ingrijpende gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering. Het is evident dat in het licht van dwingende milieu-eisen van Europese oorsprong naleving van de EG-Nitraatrichtlijn op geen enkele wijze strijd kan opleveren met de gemeenschappelijke marktordening.

Het stelsel van mestafzetcontracten is in overeenstemming met het in Europees en nationaal verband erkende beginsel `de vervuiler betaalt'. Dat daarbij beperkingen aan het gebruik van de grond worden gesteld is niets nieuws, dat gebeurt al jaren. Er worden in dit geval beperkingen gesteld aan het gebruik van de eigendom, doordat slechts mest mag worden geproduceerd tot de hoeveelheid waarvan de veehouder de afzet kan garanderen. Een ontneming van eigendom doet zich hierbij in geen geval voor. Voorzover sprake is van een regulering van het gebruik van de eigendom, wordt de in dat verband vereiste `fair balance' tussen het algemeen belang en het individuele belang van de veehouder niet verstoord. Het is in ieder geval een vaste lijn van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dat de staten een wide margin of appreciation toekomt waar het gaat om het oordeel of en hoe wordt opgetreden in het algemeen belang.

Er zijn in de jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten voor de Mens voorbeelden te vinden van arresten waarbij als gevolg van een nationale maatregel de exploitatie van een bedrijf voorgoed onmogelijk werd gemaakt zonder dat daar een schadevergoeding tegenover hoefde te staan.

Doordat het nieuwe stelsel direct aansluit bij de harde verplichtingen van de EG-Nitraatrichlijn staat vast dat de maatregel het algemeen belang dient. In het licht van de EG-Nitraatrichtlijn is het onontkoombaar dat de gehele veehouderij wordt aangesproken op de milieuproblemen die als gevolg van de eigen economische activiteiten optreden. Het stelsel gaat daarbij uit van de individuele verantwoordelijkheid van elke ondernemer voor de normale bedrijfsvoering in het licht van het milieu: de productieruimte wordt bepaald door de mate waarin iedere individuele veehouder zelf de afzet van zijn mest weet te verzekeren.

Voorzover sprake is van een beperking van het gebruik van de eigendom, vloeit deze rechtstreeks voort uit de EG-Nitraatrichtlijn en is in die zin proportioneel, noodzakelijk en rechtmatig.

Bovendien kan niet gezegd worden dat met de belangen van veehouders geen rekening wordt gehouden. Individuele ondernemers zijn zelf verantwoordelijk voor de afzet van hun mest en kunnen daardoor hun productiemogelijkheden rechtstreeks beïnvloeden. Dit strookt met het uitgangspunt dat de vervuiler betaalt. Voorts is van wezenlijke betekenis dat het totale pakket voorziet in een breed pakket van flankerende maatregelen voor ondernemers die als gevolg van de aangekondigde maatregelen in de problemen komen, tot een totaal van ruim een miljard gulden.

Het naast elkaar bestaan van verschillende systemen is in het licht van de huidige situatie onvermijdelijk. Uiteraard zal het parlement over het stelsel moeten oordelen, maar de juridische houdbaarheid van het systeem staat voor mij niet ter discussie.

Mr. L.J. Brinkhorst is minister van Landbouw, Natuur en Visserij.