Het leven op bedrijventerrein De Liesbosch: wiet, seks, vishengels en een kerk

Ingesloten tussen de A2, de A12 en de A27 ligt De Liesbosch, het type bedrijventerrein waar één op de drie Nederlanders werkt. Welkom in de wereld van afslag 18 naar Nieuwegein.

Foto’s

Reportage

Welkom op  
de Liesbosch

Door Carola Houtekamer en Freek Schravesande. Foto’s Peter de Krom, 16 februari 2018

Zomaar een bedrijventerrein. Ingesloten tussen de A2, de A12 en de A27 ligt De Liesbosch. Eén op de drie Nederlanders werkt op zo’n terrein. Achter afslag 18 naar Nieuwegein vind je wiet, seks en vishengels.

In een ander leven had hij niet hier gezeten. Dan was hij een gedreven projectmanager in de kantoortoren van Ballast Nedam hiernaast, bijvoorbeeld. Of inkoper bij de bouwmarkt aan het einde van de straat. Misschien runde hij een administratiekantoortje in één van de vele grijze bedrijfsunits die als stoeptegels om hem heen liggen.

Maar dat andere leven leidt hij niet, zijn leven boog deze kant op. Pieter, 38 jaar, keurig voorkomen, opgegroeid in een doorsnee middenstandsgezin, hbo-diploma voor de dienstverlenende sector op zak, zit achter de tralies. De Liesbosch heet zijn horizon, één van de honderden bedrijventerreinen waar in Nederland het geld wordt verdiend.

Duizenden werknemers rijden er ’s ochtends om negen uur gedachteloos op en rijden er aan het einde van de dag weer af, elke dag. De koffieautomatenhandelaar en de schilder, de auto-exporteur en de kok, de predikant en de bordeelhoudster. Zíj wel. Pieter niet. Want al zijn de gevangenen op De Liesbosch de enige vaste bewoners, ze komen er nooit. Pieter heeft géén idee wat aan die andere kant gebeurt.

 

‘Hotwings…” De ex-growshopeigenaar kan er nog steeds met zijn verstand niet bij. Boven in zijn kantoor ligt lange vloei op tafel. Het ruikt er naar wierook en op de vensterbank prijkt de moordlustige horrorpop van Child’s Play. De ex-eigenaar zit vanachter zijn imposante bureau te draaien op zijn stoel.

De criminele inlichtingeneenheid had hem afgeluisterd en dacht dat ‘hotwings’ versluierde taal was, voor drugs ofzo. ‘Neem je veertig hotwings voor me mee?’ hoorde de CIE hem over de tap tegen iemand zeggen. „Maar ik hóú gewoon van hotwings!” Hij schudt zijn hoofd: „De CIE ziet overál wat in.”

De ex-growshopeigenaar zit in een bedrijfsunit bij de hoogspanningsmast. Op zich een rustig straatje, vindt hij. Loop even mee. Op de hoek zit het elektronicabedrijf van een eeneiige tweeling die tegelijk kanker kreeg, de één in z’n kaak en de ander in z’n darmen. Mannen op leeftijd sleutelen er tussen grote stellingkasten aan C2000 en luchtalarmpalen en andere componenten van de kritieke infrastructuur van Nederland.

Verderop zit een ‘onbetwiste tuinbouwspecialist’, waar je volgens de website gieters, kleurrijke wespenvangers en kinderkweeksetjes kunt kopen. Voor de ingang staat een kortgeschoren jongen naast twee betonnen paaltjes die een vierde ramkraak in korte tijd moeten voorkomen. Achter hem liggen afzuigers en zakken potgrond hoog opgetast. Een vrouw in leren legging wankelt op naaldhakken naar buiten. Ze duwt een grote, in vuilniszakken verpakte doos in de kofferbak van haar fourwheeldrive. Iets verderop zit een koffieautomatenhandelaar en daarnaast een man die ook iets met elektronica doet. Ook hij is ziek, leukemie. Van het hele blok kwam alleen een broer van de eeneiige tweeling langs in het ziekenhuis.

De hoek om, naar de andere kant van het blok. Daar zit naast het tupperwaredistributiepunt een administratiekantoor, voorheen illegale pokerhal, waar nu volgens de buurt „jihadtypes” met jurken en baarden werken. Daarnaast een kok die om één uur ’s nachts met keiharde techno door de speakers in z’n pannen staat te roeren. Tegenover zit een zonweringhandel en een kerk waarvan de ex-growshopeigenaar, als hij op de wc zit, de geluiden hoort. Rare geluiden, „het lijkt wel of ze geesten uitdrijven”. De man die elke dag oude pallets ophaalt zweert dat ze er aan zwarte magie doen, hij heeft er vrouwen met puntmutsen op gezien, écht.

Het is zomaar een blokje op zomaar een industrieterrein van het middelgrote soort in het midden van het land. De Liesbosch is overzichtelijk. Het loopt van het oosten bij ‘de draaichinees’, een ronddraaiend Aziatisch restaurant waar de snelheid is gehalveerd tot één rondje per uur omdat gasten misselijk werden, tot westelijk het Merwedekanaal, waar de bomen zijn gekapt die de illegale handel in seks en auto’s afdekten. Het loopt zuid van de betonmortelfabriek tot noord de torens van de penitentiaire inrichting van Pieter, van waaruit rapper Kempi dicht:

Dis me brief vanuit de gevangenis
maar no spang, mama, ik ben bang voor niks.

De Liesbosch is op geen enkele manier bijzonder. Het is maar één van de 4.148 bedrijventerreinen in Nederland, één van de vele non-descripte plaatsen waar je met grote vaart door naar je bestemming rijdt, maar nooit halverwege even uitstapt en een ommetje maakt. Niemand komt hier voor z’n plezier. Witte schimmel, noemde een minister ze eens, deze oprukkende vlekken vol monotone prefabbouw. Het zijn de privéterreinen waar iedereen de baas is, en dus niemand. De plekken die ver buiten de aandachtspanne van handhavers en beleidsmakers vallen. Al werkt eenderde van alle werkenden in Nederland op dit soort terreinen, het zijn de grijze vlekken op de kaart.

‘Bonnetje?’
‘Nee hoor.’
In het bordeel komt de meesteres de sm-kamer uit. Blootsvoets, want op die torenhoge laklaarzen valt niet te lopen. Een klant rekent af.
‘Was het naar tevredenheid?’
‘Ja, hoor.’
‘Bonnetje?’
‘Nee, hoeft niet.’

De vrouw van het bordeel drukt op de pinautomaat in haar kleine kantoor. Het is druk, druk, druk. Ze moet condooms bestellen, de interne lijn rinkelt voortdurend, er wachten klanten en voor de deur staat snackkoerier Jolidé met de kaassoufflés. Intussen houdt ze nauwlettend de camera’s in de gaten. „Kamer Cupido is vrij!”

Het bordeel zit aan de straat tussen de boulevard en de gevangenis – het bezoek van Pieter rijdt er langs. Het telefoonnummer scheelt maar twee cijfers met dat van de bouwmarkt. Tegen de verkeerd-verbondenen zegt de eigenares: „De bouwmarkt is voor doe-het-zelvers, hier doen we het voor jou.”

Ze is blij met de drukte. De klandizie liep de laatste tijd sterk terug. Minder klanten betekent minder dames die willen werken. En minder dames betekent nog minder klanten. Het werd te stil. Toen een paar vaste prostituees naar een ander privéhuis vertrokken – „zij moeten ook rekeningen betalen” – wist ze dat het anders moest.

Radicaal heeft ze haar businessmodel omgegooid. Ze is van 140 euro per uur naar 100 euro gegaan (een forse korting die van haar aandeel afgaat) en ze biedt meer anonimiteit. „Een klant vroeg een keer of-ie via de achterdeur naar binnen mocht. Toen begreep ik het. Ik zit op een industrieterrein, mensen komen hier voor hun privacy! Ze zijn bang dat ze bekenden tegenkomen. Gek hè, dat ik dat niet zag.” Nu loodst ze mannen even naar een zijkamertje als een andere man naar buiten komt.

Geen fratsen

Het bordeel bedient een brede klantenkring. Klanten in een rolstoel – daar heeft ze een speciale kamer voor. Frisse knullen in pak die in een kwartiertje van hun lunchpauze klaar zijn. Oude eenzame mannen, rijke mannen die opvallend vaak voor de prijzige behandeling in de sm-kamer kiezen, jongens die over hun ongemak heen joelen.

De klanten komen allemaal anders binnen.

Eén man zit nog even in z’n gezinsbak – kinderzitjes achterin – voordat hij aanbelt. Hij staart een paar momenten voor zich uit over het parkeerterrein, handen op het stuur, blik op oneindig.

Een ander heeft praatjes en flirt met de vrouwen.

Nog één sluipt stilletjes naar boven, de tikkende hakken van de meesteres achter zich aan.

Maar ze vertrekken allemaal op dezelfde manier. Opeens uiterst doelgericht, zonder treuzelen.

‘Bonnetje?’
‘Nee bedankt.’

Nederlanders zijn efficiënte werkers. Hun arbeidsproductiviteit is één van de hoogste ter wereld. Hoger dan die van de Duitsers en de Zwitsers, terwijl die toch ook als bijzonder efficiënt bekend staan. (Maar lager dan die van de Belgen.) Een Nederlander voegt per gewerkt uur maar liefst 59,58 euro aan waarde toe.

Om dat te bereiken moet er in Nederland niet alleen voldoende hoger onderwijs worden genoten, arbeid verdeeld en technologische vooruitgang bewerkstelligd. Er moet vooral hard en doelmatig worden gewerkt.

En dat gebeurt op bedrijventerreinen, de stampende motoren van de economie. Op de monochromatische gebieden, 841 vierkante kilometer in totaal, die zijn geoptimaliseerd voor maximale productiviteit. Een bedrijventerrein wordt niet gebouwd voor mensen, maar voor functies. Geen fratsen.

De bouwmarkt is voor doe-het-zelvers, hier doen we het voor jou

Want maak eens een rondje over De Liesbosch. Te voet van het fastfoodrestaurant bij de afslag naar het uiterste eind, waar de afvalverwerker staat. Na een tijdje zal de stoep, die toch al niet zo recht lag, verdwijnen. Er zijn geen zebrapaden, geen richtingwijzers, geen fietspaddenstoelen. Nergens een kunstwerk, fontein of picknickbankje. Op veel gevels staan geen bedrijfsnamen. Er zijn wel beveiligingscamera’s, heel veel, en borden met ‘eigen terrein’.

Het is helemaal niet de bedoeling dat mensen buiten zijn op De Liesbosch. En daarom zijn die er ook niet. Iedereen rijdt met zijn eigen auto naar zijn eigen bedrijfspand, stapt uit en stapt na de werkdag weer in. En of het nu regent of dertig graden is, het maakt niks uit. Op een bedrijventerrein telt het weer niet mee. Behalve bij pianodealer aan de hoofdweg dan, waar, als het weer omslaat, alle veertig piano’s in de showroom in één keer zijn ontstemd – Europese modellen eerder dan Japanse. Gevolg van de klimaatverandering, bromt de verkoper. Stemmen kost een uur per klavier.

De bewaarder kijkt op haar horloge en werpt een blik op Pieter. „Je hebt anderhalf uur.” Draaiend op een bureaustoel in een verder kale ruimte vertelt Pieter zijn verhaal.

Zijn enige kennismaking met bedrijventerrein De Liesbosch was vijf jaar geleden op een zonnige donderdag in maart. Hij was er voorheen wel eens langs gereden over de A12 bij Utrecht, toen hij nog vrij was. Dan nam hij de afslag naar rechts, richting Zwolle. Maar deze keer zat hij achterin en draaide het witte busje naar links richting Nieuwegein, langs kantoren en over het bruggetje van het Merwedekanaal. Veel tijd om rond te kijken had hij niet. Het busje reed door tot in de sluis van de gevangenis die als een ommuurde vesting op De Liesbosch prijkt. Eenmaal binnen schoof de deur open. Pieter stapte uit met drie doosjes spullen onder de arm. Kleding, persoonlijke dingetjes, zijn strafdossier. Een straf van twaalf jaar had hij gekregen. Buiten de muren zou hij voorlopig niet meer komen.

Pieter meldde zich bij het loket en een bewaker ging door zijn spullen heen. Hij moest ze overhevelen in plastic tasjes en werd doorverwezen naar afdeling F. Een cipier liep met hem mee. Hij kreeg een pakketje beddengoed en handdoeken aangereikt en begaf zich naar zijn nieuw verblijf, een ruimte van tien vierkante meter inclusief douche en toilet, te delen met een celmaat. Een raam van dik glas met daarachter tralies. Er stond een koelkast en een tv.

Over de gevangenis in Nieuwegein had hij in voorarrest goeie verhalen gehoord. Kleine afdelingen zouden het zijn. Maar Pieter was zenuwachtig. Nooit eerder had hij in een echte gevangenis gezeten. Hij kende ze alleen van Discovery Channel, als van die betonnen kolossen in verre, afgelegen oorden waarin iedereen is aangewezen op zichzelf. Zou hij zich straks moeten aansluiten bij een bende om te overleven? Hij had geen idee.

 

‘Trring.” Aan de andere kant van de tralies rinkelt bij de koffieautomatenhandelaar in het blokje tegenover de hoogspanningsmast de telefoon. „Goedemorgen… Ja, we koppelen ’m af… Nee, de kop blijft zitten… nieuw gedeelte even doorspoelen ja…”

Deze klant, zegt hij na het ophangen, belt al voor de derde keer deze week. „Hij is wat onzeker.”

De handelaar begrijpt het wel: de man is zelfstandige met personeel en gaat voor het eerst in zijn leven een koffieautomaat voor zijn kantoortuin kópen. „De meeste bedrijven hebben een leasebak.”

Zonder koffie geen bedrijvigheid, geen efficiëntie, geen economie. Koffie is de benzine van de bv Nederland, het smeermiddel van elke werkafspraak. ‘Koffie doen? Wat heb je d’r in?’ Een halve liter koffie werkt een Nederlander dagelijks weg. Op de Liesbosch, 265 bedrijven, pakweg 7.000 werkenden, is dat 3.500 liter per dag. Een drie meter hoge opslagtank vol koffie, leeg geslurpt om vijf uur.

Espresso op kantoor, daar is de Nederlander nog niet aan toe

Hoewel, koffie, de handelaar noemt het liever bruin water. Nederlanders zijn niet zo kieskeurig. Zo’n klein kartonnen bekertje met espresso op kantoor, zoals ze in Portugal drinken, „daar is de Nederlander nog niet aan toe”.

Zelf drinkt hij alleen het allerbeste. Drie koffieautomaten staan in zijn keukentje, voor elke medewerker één. De mooiste is de glanzend witte Etna met in het midden led-lampjes die oplichten in verschillende kleurtjes en ‘capacitieve’ toetsen die je nauwelijks hoeft aan te raken. „Moet je kijken hoe mooi dat ding espresso maakt”, zegt hij als twee donkerbruine straaltjes het bekertje in stromen. Hij wijst op de stilte. „Vroeger trilde je de tent uit.”

Voorheen werkte hij bij een groot onderhoudsbedrijf voor koffieautomaten. Hij was manager maar maakte zich overbodig toen hij bedacht dat je beter ‘pro-actief’ dan ‘reactief’ kon werken. „Ik wilde de storing vóór blijven.” Dus bedacht hij een onderhoudsprogramma: twee keer per jaar langs bij de klant om de automaat te onderhouden. Een programma dat zó effectief bleek dat de nieuwe eigenaar van het bedrijf, een private-equityfonds, dacht: hoeveel man kan eruit? ‘Loop maar even mee’, kreeg hij te horen op de gang. „Het was in een kwartiertje gedaan.” Daarna is hij voor zichzelf begonnen. Een 24-uursservice. Niet dat iemand ooit om drie uur ’s nachts heeft gebeld omdat zijn koffieautomaat stuk was. Maar het kán wel.

De Liesbosch zit vol met mensen die al een ander leven achter de rug hebben. Vrije vogels die eens onder een baas werkten en op een goed moment hun vleugels uitsloegen. De vrouw van het bordeel werkte eerst bij een relatiebemiddelingsbureau. De predikant van het kerkje was sportinstructeur tot God haar riep. En de ex-growshopeigenaar, ook die had al van alles gedaan.

Vrije vogels

De vrije vogels van het bedrijventerrein hebben de prikklok ingeruild voor een eigen kantoortje op de eerste verdieping, pal boven hun opslag. Ze kopen een éígen kantoorplant, drinken éígen koffie, hangen hun éígen kalender aan de muur. De man van het administratiekantoortje bij de hoogspanningsmast heeft zijn keurig geordende kantoor vol gehangen met aapjes – leuk voor de kleinkinderen. De man van de elektronicahandel in hetzelfde blok zit languit achter een met paperassen overwoekerd bureau, een lange neus trekkend naar de clean-desk-policy.

Er zijn er die van de eerste verdieping van hun bedrijfsunit een heus paleis hebben gemaakt. Zoals de schilder om de hoek bij het bordeel, waar je na de trap omhoog uitkomt in een living met bar en hoogpolig beige tapijt en een zithoek met plofbanken in dezelfde kleur. De kroon spant het hoofdkantoor van een Turks-Nederlandse bakker, gevestigd op een achterafplekje waar de buurman zijn pallets met groente al weken laat verrotten. Daar, in dat blinkende pand, doet de beheerder ’s avonds administratie terwijl zijn zoontje met een stofzuiger het sleutelgat uitzuigt. Trots toont hij de verdieping erboven. Een witte vloer glimmend als een spiegel. Er staan fluwelen fauteuils, een bronzen wereldbol en een eikenhouten bureau met een gouden naambordje en dito pennenhouder. „De Turkse minister is hier nog langs geweest”, zegt hij met een blijde blik op de goudomrande foto’s aan de muur. Tegenover hangen vier beeldschermen waarop de baas in alle filialen naar binnen kan kijken. „Real time!”

Ze zeggen dat de gevangenis beter is dan een hotel, maar dan toch zeker één zonder sterren. Niks geen vrije vogels hier. We zijn een half uur onderweg en over het leven achter de tralies vertelt Pieter enthousiast. Al klinkt het weinig prettig.

In de gevangenis op De Liesbosch zitten gedetineerden zestien uur per dag op cel, het is maar te hopen dat het met je celmaat klikt. En zelfs dán, tussen stapelbed en wc ontbreekt een deur… En tja, de maaltijd. Terwijl bewakers zich in personeelsrestaurant De Lik dagelijks mogen verheugen op het volledige assortiment frituur, is op de aanvinklijst voor gedetineerden de keuze beperkt tot een aantal vakjes.

Maar een grotere bedreiging dan gebrek aan comfort is de totale verveling. Op dag één krijgt de gedetineerde het rooster met de tijden voor arbeid en activiteit en op dat rooster ontdekt hij dat de eerstvolgende woensdag exact hetzelfde eruit ziet als die over vier weken. Turven op de muur hoe lang je nog moet is een afrader, evenals bedenken wat de datum is. De tip: hooguit denken in dagen van de week.

Zijn eerste etmaal op De Liesbosch bracht Pieter door met tv kijken en slapen. Tijd om te wennen had hij niet, want vanaf dag twee wordt elke gedetineerde geplaatst in het ritme van orde en regelmaat. Je kunt zeggen dat de mensen buiten hard werken, maar hier zitten de loonslaven. Op de pulserende beats van rapper Nelly – ‘It’s get-ting hot in here…’ – wordt hier het hardst gewerkt van het hele bedrijventerrein. Voor het laagste uurloon, dat wel. 76 cent. Vierhonderd gedetineerden zijn hier dagelijks aan het werk. Ze repareren afgedankte fietsen of wikkelen verfrol en -bakje in plastic folie. En om ze stevig met de neus op de feiten te drukken, staat op de werkvloer metershoog opgestapeld het toonbeeld van zomerse vrijheid: honderden kant-en-klaarbarbecues, klaar om te worden ingepakt.

Pieter begon zijn loopbaan in de gevangenis op werkzaal vijf, waar hij schroefjes afwoog en sorteerde, bijna een normale baan. Maar tikte de klok vijf uur aan, dan stapte hij niet naar buiten. Dan viel de deur van zijn cel in het slot.

 

Vrijdagavond 20.00 uur, aan de andere kant van de tralies. „Hé gaan we nog gooien? Ik begin weer nuchter te worden.” Achter een tafel vol bier en Jägershots gaan twee jongens tegenover elkaar staan. Er is maar één regel. Je werpt een balletje en als-ie in het glaasje valt, moet de ander drinken. Buiten onder de garagedeur hangen collega’s rondom een krat pils, door de speakers schalt reggae. De zon maakt langzaam plaats voor oranje natriumlicht.

Waar is het feest op een bedrijventerrein? Nou, bijvoorbeeld elke vrijdagavond bij de jongens van de webshop voor visbenodigdheden, achteraan bij de afvalverwerker. Ze hebben genoeg te vieren, want de handel is niet aan te slepen. Torenhoog staan de vismaterialen opgestapeld in de stellages achterin. Lokale hengelsportwinkels zijn wat ouderwets dus daar doen zíj hun voordeel mee, legt een jongen uit. „Die winkeltjes doen aan persoonlijke aandacht. Hengeltje, motortje, dobbertje erbij en een kopje koffie met de klant.” Hun webshop levert via internet, „dus voor de helft van de prijs”.

De jongens van de webshop zijn inmiddels met een hele club. Allemaal twintigplussers en behalve hun bazen – die hebben er niks mee – liefhebbers van de hengelsport. De jongens werken hard en op vrijdag gaat het los. Het is de enige vrijmibo die je rond dit tijdstip op De Liesbosch tegenkomt. En toen ze laatst een striptease wilden regelen, ging er één langs bij het bordeel om te vragen naar een danseres. „Wacht hier maar even…” had de gastvrouw gezegd. Tien minuten heeft hij in de sm-kamer gewacht, „tussen de handboeien en bondage!” De prostituee wilde toch niet. Seks tegen betaling is één ding, maar strippen in je eentje tussen de joelende mannen? Nee bedankt.

Ga samen naar de sportschool en word fantastisch!

Feest is het ook in het kerkje iets verderop, bij de hoogspanningsmast. „Welkom in het huis van God!” zegt de vrouw met donkere krullen glimlachend achter een gitaar. „Obrigado Jesus!” Als een popster raakt ze met haar lippen de microfoon. Zij, predikant, tokkelt zoete gitaarklanken, ogen gesloten. Op de powerpoint aan de muur verschijnt een tekst. „Ho-san-na, Ho-san-na, Hosanna in de Ho-Hoge.”

Hier, op het podium in een bedrijfsunit met tl-licht en zwart tapijt, staat elke vrijdagavond de vrouw met de gitaar te prediken in het Portugees. Een blijmoedige man achterin vertaalt haar woorden.

Zes Portugees-sprekende Nederlanders, onder wie twee landerige kleuters, zijn deze avond naar de dienst gekomen. Ze omhelzen elkaar en geven een high five als de vrouw op het podium daartoe oproept. Eén van hen, een Braziliaanse, vond deze kerk onlangs op internet. „Wát een geluk hè”, fluistert ze. Zondag zal ze worden gedoopt, kondigt de vrouw op het podium verheugd aan. Daarna gaan ze met z’n allen barbecueën op het bedrijventerrein.

Negen jaar geleden stopte de vrouw als sportinstructeur om het woord van God te verkondigen. Ze begon een kerkje in het centrum en verhuisde later naar bedrijventerrein De Liesbosch om de huur te drukken. Aan puntmutsen of zwarte magie, zoals de buren denken, doet ze niet. Sterker, haar godshuis is onderdeel van een wereldwijde geloofsgemeenschap met naar eigen zeggen dertig miljoen leden in 45 landen. Een professionele organisatie met eigen radio- en tv-zenders, eigen films en muziek. Bisschop is een Nederlandse vrouw die met haar man, de apostel, de gemeenschap vanuit Portugal leidt.

De vrouw stapt van het podium om dichter bij haar publiek te zijn, een zwoele blik, één hand op haar borst. Ze vraagt de bezoekers het Nieuwe Testament te openen op Korintiërs 7:1 en vertelt over de geheimen van een goed huwelijk. „De behoeften van man en vrouw zijn verschillend”, legt ze uit. „Het belangrijkste: begrijp de gevoelens van je man, en andersom. De eerste behoefte van de man: seksualiteit.” Gegiechel in de zaal. „Een vrouw kan niet denken: oh, ik heb geen zin, ik heb slaap nodig. God was duidelijk. De vrouw moet haar man geven wat hem toekomt, en de man zijn vrouw.” Aan een goed huwelijk, zegt ze glimlachend, moet je elke dag werken, óók als man. „Ga naar de kapper, scheer je baard af, doe een luchtje op. En, blijf aan dat sixpack werken! Ga samen naar de sportschool en word fantastisch!”

Dat er een bordeel op het terrein zit, dat weten de jongens van de visbenodigdheden wel. Maar een kérk? Nee. Zo goed kennen de bewoners van De Liesbosch elkaar niet.

Dubieuze activiteiten

Hup, even terug in de tijd, naar een eerdere avond. Zaterdag 25 februari 2012, vaste pokeravond op De Liesbosch. Op de eerste verdieping van een bedrijfspand een paar deuren naast het kerkje stonden – illegaal – twee pokertafels. Zes mensen speelden een spelletje. Maar één deed er raar. Drie keer liep hij weg om te bellen en soms nam hij zijn pokerfiches mee. Na middernacht wilde hij naar de tramhalte worden gebracht. Een vrouw liep met hem mee.

Een paar tellen later, om 00.26 uur, stommelden vier mannen met bivakmutsen de trap op, diezelfde vrouw voor zich uit duwend. „Geef het geld, geef het geld!”, schreeuwden ze, terwijl ze hun pistolen richtten op de aanwezigen. Eén had een taser bij zich die hij voortdurend liet vonken, trrr, trrr. Iedereen moest z’n geld en telefoons uit z’n zakken halen. Toen een slachtoffer tegenstribbelde, commandeerde een van de overvallers: „Pop er eentje neer!” Een schot klonk, in het plafond. Nog geen drie minuten later renden de mannen weer weg, met een paar duizend euro contanten en telefoons.

De pokerhal, die zo handig anoniem achteraf zat, is nu gesloten. Natuurlijk hadden de buren al vermoedens van illegale gokpraktijken. Ze zagen op zaterdagavonden de duurste auto’s onder de hoogspanningsmast staan. Met gekke nummerplaten, helemaal uit Dubai en zo, of was het Abu Dhabi? Maar om nou de politie in te lichten? Een bedrijventerrein is geen minimaatschappij zoals een woonwijk. Hier hoor je je buren niet ruziën, hier groeien je kinderen niet samen op. Dé regel op De Liesbosch: je bemoeit je niet met een ander.

Alles wat Pieter doet wordt gezien, dat maakt een rondje door de gevangenis wel duidelijk. Deze plek is ingericht op maximale controle. In ieder hoekje hangen camera’s en de cellen komen uit op een kruis van langgerekte binnenpleinen met in het midden een centrale beveiligingspost. Je weet nooit of een bewaker je daar vanachter het spiegelglas observeert terwijl je tafeltennist of door de gangen loopt. In deze totalitaire ministaat loopt iedereen keurig in de pas.

Natuurlijk is er ook handel in drugs, telefoonkaarten en sigaretten, zoals in elke gevangenis. Geld is hier niets waard, spullen wel. Dus valt er geregeld wat over de muur zo de luchtplaats op. Laatst eens een fruitmand van een ‘verontruste’ ouder. Daar zat natuurlijk ook iets anders in.

Maar elke twee weken is er urinecontrole en wie zich misdraagt is niet meer ‘groen’, die kan zijn verlofdagen vergeten.

Die eerste dagen waren wennen voor Pieter. Gedetineerden zagen ‘hé dat is een nieuwe’ en kwamen naar hem toe. En allemaal hadden ze dezelfde vragen. ‘Wie ben je, hoe lang moet je, wat heb je gedaan en waar kom je vandaan.’ Pieter tastte af. Moest hij tactisch denken? Wat vertelde hij wel en niet? Maar hij merkte al snel dat hij zichzelf staande kon houden. Er werd niet vervelend tegen hem gedaan en aansluiting zoeken bij een ‘gang’ om te overleven bleek niet nodig.

Na tien dagen werd Pieter overgeplaatst naar een afdeling voor gedetineerden met relatief lange straffen. Er zaten wat meer van zijn type mannen, sommigen al wat ouder. Mensen zonder haantjesgedrag, merkte hij. Hoe langer de straf, hoe rustiger de mens. Want als je jaren moet brommen is er niets stoers meer aan. Dan kun je maar beter jezelf zijn.

 

Terug naar buiten, naar de hoogspanningsmast, waar de ex-growshopeigenaar zit. Hij loopt naar het keukentje en haalt uit de vriezer een ingevroren piranha. „Wil je ’m hebben?” Toen die nog in zijn aquarium zwom voerde hij zijn piranha’s eens een muis. Dat was dan weer niet z’n goed idee. „Overal haren.”

De ex-growshopeigenaar gaat weer zitten en toont de prijslijst van 2012, toen de branche voor wietteeltbenodigdheden nog floreerde. Voeding, airco’s, tijdschakelaars, afzuigsystemen, hij verkocht ze allemaal. En betaalde er netjes belasting over. „Maar het hele fucking assortiment is in beslag genomen. Ik had in één keer helemaal níéts meer, ik werd helemaal waus. Ik zei tegen die agent: vriend, heb je kinderen? Waarom laat je mij niet met rust?” Zelf heeft hij er vijf. Ze hangen in een fotolijstje aan de muur.

Sinds het verbod op growshops zijn er al zeker twee van het bedrijventerrein vertrokken. Zelf heeft hij zijn handel moeten aanpassen zodat die binnen de nieuwe wet valt. Maar de gouden jaren zijn definitief voorbij, de hele wietteelt gaat naar Spanje. „Ik hou m’n hoofd nog net boven water.”

Laatst probeerde hij zijn verdriet te verdrinken, maar toen werd hij in zijn zwarte Audi aangehouden: 450 euro boete. De Audi die de Belastingdienst over een paar weken wil veilen. „Kapot man, alles gaat kapot.”

Nee, beter gaat het bij de ‘onbetwiste tuinbouwspecialist’ even verderop. Het bedrijf is gelieerd aan de groothandel aan de andere kant van het bedrijventerrein, een enorm pand met donkere ramen, bewaakt met camera’s en betonnen schokbrekers voor de gevel. Vrachtwagens met pallets potgrond rijden er af en aan.

Vraag het de ondernemers en ze zeggen: de hele keten voor de productie van hennep kun je vinden op De Liesbosch. Op parkeerplaatsen zien ze vanuit hun raam hoe vuilniszakken waar het groen uitsteekt van de ene naar de andere kofferbak gaan. Ze zien handel voor de bouwmarkt, in de boxen van de carwash, op de kade van de Merwede, onder de hoogspanningsmast, tegenover het bordeel, naast het fastfoodrestaurant – waar niet.

Op De Liesbosch zou je zomaar wat sporen van een pas opgerolde wietplantage kunnen tegenkomen. Zoals bij een pand dat officieel ICT Care heette en waar de rolgordijnen zijn gesloten. Voor de deur ligt nog een hoopje teelaarde en een verloren wietblaadje, naast een limonadezakje en een speelkaart, schoppenboer. De pandeigenaren zelf hebben soms geen idee wat er in hun bedrijfsunit gebeurt. Verdiep je in de eigendomsstructuren op De Liesbosch en je komt uit bij investeringsmaatschappijen en rijkelui tot in het verre oosten. Ze verhuren hun panden via makelaars en sommigen zullen niet eens wéten dat ze nog een loodsje in Nieuwegein bezitten.

In een bedrijfsunit waar voorheen een wietplantage zit, werkt nu een handelaar in rubberen onderdeeltjes. „Ze hadden het heel professioneel gedaan”, zegt hij licht bewonderend over de vorige huurder, een man uit Elten, net over de grens met Duitsland. ‘Stichting Hulpgoederen’ had die zijn bedrijf gedoopt.

De handelaar geeft een rondleiding door zijn pand. Hij loopt naar achteren en wijst naar de restanten purschuim op het plafond die tonen waar de tussenwand zat. Daarachter zat een halletje en dáár weer achter stonden de plantjes. „Vakwerk.”

Op dit moment is er niemand die goed in de materie van De Liesbosch zit

Voor het water waren de plantjes afhankelijk van twee 1.200-litertanks in het halletje. De warmte ontvingen ze van lampen aan het plafond. Alleen de haakjes zitten er nog. ‘Laat maar hangen’, had de handelaar tegen de vorige eigenaar gezegd. Nu kan hij er handig wat spulletjes aan kwijt. „Slim ook om het alleen beneden te doen, dan viel het niet zo op met warmtecamera’s.”

Er zijn ondernemers die de wiet op De Liesbosch iets té best vonden groeien. Al dat nieuws over plantages is voor de beeldvorming van het terrein – en dus hun handel – niet goed, vonden ze. Bovendien begon de verlichting in hun eigen units te knipperen omdat iemand elders alle stroom uit het netwerk trok. Eens per kwartaal gaan zij nu zelf het dak op met honden en warmtemeters om hun buren te controleren.

Maar de meeste ondernemers halen er hun schouders over op. Ze hebben van buren met dubieuze praktijken vaak niet zo’n last. Je hoort ze niet, je ziet ze niet en als je tegen ze klaagt, bijvoorbeeld omdat hun auto’s, of die van hun klanten, fout geparkeerd staan, zijn ze er als de kippen bij om het op te lossen, angstig voor een melding bij de gemeente.

De handelaar in rubberen onderdeeltjes denkt dat een paar pandjes verderop ook van alles gebeurt. Die jongens zijn er altijd verdacht vroeg, daar klopt helemaal niks van. Maar ach, waarom zou hij het melden?

En áls je het doet, zegt de zonweringman van verderop, heeft het toch geen zin. Hij pleegde eens een belletje naar de gemeente, anoniem, nadat hij iemand met een zak wiettoppen zag lopen. De mevrouw aan de lijn zei: weet u zeker dat het wiet is? Hij zei: nou nee. „Oh, dan kunnen we niets voor u doen.” Daarna heeft hij nooit meer iets gemeld.

Wat vindt de gemeente hier nou van, of de politie? Op de vraag hoe de gemeente de activiteiten van de groothandel in tuinbouwartikelen beoordeelt, antwoordt een woordvoerder: „We weten dat er spullen verkrijgbaar zijn voor het verbouwen van groenten of planten.” Treedt de gemeente ertegen op? „Het is altijd lastig om de scheidslijn te bepalen tussen de verkoop van spullen ten behoeve van het telen van normale groenten en planten en die voor het telen van hennep.”

En de politie, wat weet die over de wietplantages en andere dubieuze activiteiten op het bedrijventerrein? De woordvoerder, na een heel jaar proberen: „Ik heb diverse mensen uit het team Nieuwegein gesproken, maar op dit moment is er niemand die goed in de materie van De Liesbosch zit. Er is een vacature voor een wijkagent die hopelijk binnenkort opgevuld gaat worden [...]. Structurele contacten en opbouwen van netwerken hebben de laatste tijd helaas onder druk gestaan. Geen van de wijkagenten die hebben waargenomen, voelt zich voldoende ingeschoten in de materie om u hierover te woord te staan.”

De ondernemers weten prima wat er speelt. Pal om de hoek bij de pianohandel begint het al. Hier zit een dubieus in- en exportbedrijf voor auto’s, waar Oost-Europeanen in alle drukte op de parkeerplaats hun wagens verhandelen. Op het parkeerterrein staan auto’s zonder nummerbord. Dat mag eigenlijk niet, dus staan ze op een trailer mét nummerbord.

Hier is altijd gedonder. Je ziet het gebeuren. Mannen staan buiten met dikke pakken honderdjes iets af te rekenen. Iemand loopt met drie nummerborden onder zijn arm. Een ander doet de achterklep van zijn auto open, de kofferbak ligt vol laptops. Dezelfde zaak is een half jaar gesloten geweest vanwege een wapenvondst. Maar al snel ging vanuit een caravan op het terrein de autohandel vrolijk verder. De zaak ging weer open, maar laatst drongen opnieuw agenten het pand in. „We kregen een melding.” Waarvan zeggen ze niet. De jongen die boven achter z’n laptop zit – de deur staat er altijd open – wil ook niet zeggen wat er is.

Ondernemers in het blokje hebben van de jongens die het bedrijfje runnen wél last. De klanten pikken de parkeerplekken in, ze overnachten op het terrein, ze flikkeren rotzooi naar buiten. Soms beent een Poolse dame uit het bordeel naar buiten om de Poolse chauffeurs tot de orde te roepen. Maar de eigenaar van het pandje weigert z’n huurders eruit te zetten, en na intimidatie van die jongens durven buren niet meer te klagen. Er werd er eens eentje bij de keel gegrepen.

Op het bedrijventerrein staan voor de ingang van vele bedrijfsunits paaltjes, een keur aan varianten, bedoeld om ramkraken tegen te gaan. Niet dat die helpen tegen de explosieven waarmee een paar jaar geleden de pui van het geldtransportbedrijf op het terrein werd opgeblazen, maar een busje houden ze wel tegen.

Er gebeurt wel meer. Ondernemers vertellen over het illegale bordeel (met jacuzzi) waar dames het voor de helft van de prijs deden. Over auto’s die ze ’s avonds op de parkeerplaats zien schudden, de ramen bewasemd. En ze zien op zulke plekken ook de kofferbakhandel floreren. Jonge jongens in dure Mercedessen die allerlei ‘spullen’ overladen in busjes. Bij sommige bedrijfspanden lopen mannen met heup- of schoudertasjes even naar binnen en weer naar buiten. Niemand weet waarom. Bellen ze ooit de politie? Nee.

Waarom zit ik hier? Die eerste jaren in de gevangenis was dát de vraag die hem bezighield, vertelt Pieter. Hij is al ruim een uur aan het woord. Buiten de deur wacht de bewaarder.

Hij begreep het gewoon niet. Waarom juist híj, híj die het zo voor elkaar had. Goeie baan, mooi huis, leuke vriendin, hij was nog nooit met justitie in aanraking geweest. En toch ging het mis, die ene dag. Hij wil er niet over uitweiden, het is al erg genoeg. Maar hij vindt: hij kreeg de straf die hij verdient.

Het was hier, in de gevangenis, dat Pieter in gesprekken met de psycholoog erachter kwam dat tussen ratio en gevoel al zijn hele leven een gapende kloof bestond. Dat zijn focus altijd op de buitenkant was gericht, laten zien dat het goed met je gaat, het ideale Facebookprofiel, een glanzende auto voor de deur, voorbijgaand aan wie hij werkelijk is.

Pas hier, in deze gevangenis op bedrijventerrein De Liesbosch, leerde Pieter zichzelf kennen. Hij begon zich een ander mens te voelen, opener vooral. Hij uitte zijn gevoelens en probeerde zich voor het eerst te richten op de bínnenkant. Hoe naar het aan deze kant van de tralies ook is, het heeft de band met zijn familie versterkt en op de luchtplaats verruilde hij zijn lange broek voor een korte, waarom niet? Voor hem telt de buitenkant niet meer. Je beter voordoen heeft in een gevangenis toch geen zin.

 

Criminaliteit de grootste zorg van de ondernemers? Nee natuurlijk niet. Dat is de file.

Loop maar eens vanaf de provinciale weg N408 de Ravenswade op, dé verkeersader van het bedrijventerrein, en vergeet de mensen, de misdaad en de wilde verhalen. Kijk eens uitsluitend naar beneden, het asfalt. Wat zie je?

Op de eerste zestig meter kleurt de weg zwart. Het asfalt is vers, de berm gekortwiekt en de tegels van het stoepje liggen recht. Deze weg – gemeentegrond – is keurig onderhouden, verplicht betaald door alle inwoners van Nieuwegein.

Maar dan houdt de gemeentegrond op en is het asfalt oud en grijs. In de weg zitten gaten met de doorsnee van een voetbal. De berm: overwoekerd door riet, oprukkend uit de sloot. Tussen de stoeptegels veel onkruid, er is nauwelijks te lopen. Verkeersborden staan schots en scheef. Lantaarnpalen: idem. Dit deel van de Ravenswade is particulier bezit, eigendom van een vereniging van eigenaren. En het wegdeel verderop is weer eigendom van een ándere vve.

Criminaliteit de grootste zorg

De Liesbosch telt in totaal zo’n acht verenigingen van eigenaars, met elk eigen wensen, eigen noden. En welke, daarover zijn ook leden bínnen de vve’s het lang niet altijd eens. Het terrein is Eén Grote Lappendeken Van Belangen.

Een zegen voor de natuur. Die heeft hier vrij spel. Maar voor de gebruikers van het bedrijventerrein is de versnippering van eigendom minder fijn. Aan de infrastructuur van het terrein, dat eind jaren negentig zijn bestemming kreeg, is al jaren niet meer geknutseld. De economie groeide en groeide en er kwamen meer bedrijven en meer bezoekers – vooral na de komst van de bouwmarkten. Maar het uiterlijk veranderde niet. Het terrein heeft de uitstraling van Windows 98. Iedereen wil een upgrade. Maar wie gaat dat betalen?

Gevolg: om half vier in de middag kijken de ondernemers al uit hun raam om te zien of het terrein nog te verlaten is. In de spits tussen vier en zes staat de Ravenswade aan beide kanten muur- en muurvast. Automobilisten proberen tevergeefs halverwege om te keren, tussen de vrachtwagens door. Invoegen kan alleen met veel assertiviteit en enkel fietsers kunnen zich hier, via de voetpaden, sneller verplaatsen dan een kruipende baby. In de gemeenteraad discussiëren raadsleden al jaren wanhopig over een oplossing, ondernemers op De Liesbosch klagen steen en been. Ze vinden de weg levensgevaarlijk. En toen er laatst een verlaten loods vol asbest affikte, was het hele terrein een week lang nauwelijks bereikbaar. Maar zélf kunnen de ondernemers er niets aan doen.

Met een extra weggetje zou iedereen al geholpen zijn. Een klein stukje asfalt, 240 voetstappen van de openbare weg tot aan de N408. Maar wie gaat dat betalen? Wie hakt de knoop door? Wie is de baas van De Liesbosch?

„Snoepje?” De wethouder ruimtelijke ordening van Nieuwegein is een gesoigneerde man met donkergrijze wenkbrauwen en een diepblauw pak. Peter Snoeren is een man met invloed en gezag. Zo heeft hij bij de inrichting van het gemeentehuis als enig collegelid op zijn kamer een ronde in plaats van een vierkante tafel bedongen – dat overlegt beter. Ook kent hij alle vergadertrucs. Hij heeft chocolaatjes binnen handbereik waarmee hij zijn gasten, als ’t hem te heet onder de voeten wordt, gauw de mond kan snoeren.

Maar over De Liesbosch, geeft de wethouder toe, heeft hij weinig zeggenschap. Het bedrijventerrein hangt als landkaart aan zijn muur en hij ziet het, net als de andere zes bedrijventerreinen die zijn gemeente rijk is, als „een ruimtelijk project”. Met dit verschil dat op De Liesbosch de gemeente nooit grondposities heeft gehad. „Inwoners snappen het niet. Die denken: dit is toch ook van de overheid? Maar dat is niet zo. Sneeuwruimen doen we er niet. We doen er niets aan de belijning, niets aan de lantaarnpalen.” In theorie zouden de ondernemers de hoofdweg, waar een stadsbus over rijdt, zelfs eigenhandig kunnen afsluiten en er een feesttent neerzetten.

Inwoners snappen het niet. Die denken: dit is toch ook van de overheid?

Zelf komt de wethouder ook weleens op De Liesbosch. Voor een schroefje bij de bouwmarkt, of het reinigen van zijn auto bij de carwash – inclusief gratis uitzuigen. De wethouder ziet dan „het risico op de verpaupering” van het terrein. Hij weet ook wel dat er echte verdomhoekjes zijn, zoals het hoekje achterin bij de betonmortelfabriek, waar het bouwafval in de uitpuilende container al maanden niet is opgehaald en het groen tussen de tegels maar voortwoekert – vast agendapunt op de jaarlijkse vve-ledenvergadering waar bijna nooit iemand komt.

Het is inderdaad niet fraai daar, maar wat kan een wethouder daaraan doen?

Er hebben al heel wat vve-voorzitters van De Liesbosch aan zijn ronde tafel een chocolaatje aangeboden gekregen. Ze namen plaats om te overleggen over een oplossing voor de weg. Maar ze komen er gezamenlijk niet uit. Sommige vve’s praten al niet eens meer met elkaar, „die gebruiken ons gemeente als postbode om met elkaar te communiceren”.

De nood is zo hoog dat de gemeente nu toch „een gezamenlijk bal” van de problemen heeft gemaakt. In 2011 heeft de raad de vve’s een ultimatum gesteld: zolang aan de ontsluiting niets verbetert, mogen zich geen nieuwe bedrijven vestigen op het terrein. Gevolg: nog meer onzekerheid en zittende bedrijven die, in afwachting van de ontwikkelingen, nóg minder aan het onderhoud doen. Een deel van De Liesbosch, dure grond in het midden van Nederland, is hierdoor nog altijd onbebouwd. Een kale vlakte die oogt als steppe, waar beveiligers ’s nachts drugsgebruikers zien dolen. Niemand is hier de baas.

Kansen zijn er in de gevangenis best, vertelt Pieter. Hij kwam te werken in de bibliotheek, waar de uitgebreide collectie true crime gretig aftrek vindt, en deed cursussen. Hij liep geregeld binnen bij het reïntegratiecentrum en begon een opleiding cultuurwetenschap aan de Open Universiteit.

Alles doet hij om grip te houden op de buitenwereld. Want de gevangenis is een gesloten universum. Contact met de wereld aan de andere kant van de tralies is er vrijwel niet. Ja, de inrichting heeft wel eens een poging ondernomen. Twee jaar geleden organiseerde ze een burendag en maakte ze mooie kaartjes. Ze nodigde zo’n dertig ondernemingen van het bedrijventerrein uit om zaken mee te doen, voor de reïntegratie – niet het bordeel en ook niet de wapenhandelaar. Deals kwamen daar toen niet uit.

Het contact met de directe omgeving blijft verder beperkt tot een sporadisch telefoontje van de dames van Ballast Nedam, pal tegenover. ‘Ja, goeiedag, we zien vanuit ons kantoor mannen raar doen achter hun raam.’ Zwaaien, roepen, obscene gebaren.

Je bent als gevangene onderdeel van de samenleving en toch ook weer niet, vertelt Pieter. Er zijn gedetineerden die hier hun tijd uitzitten voor de tv, maar zíjn angst is straks buiten te komen in een wereld die hij niet meer kent.

De anderhalf uur zijn bijna om en de bewaarder klopt alvast lichtjes op de deur. „Tijd.”

 

In het bordeel naast de gevangenis zijn er mannen genoeg die willen betalen voor wat lichamelijk contact, maar het wisselende aanbod sluit vandaag slecht op de wensen aan.

„Nee, ik heb geen geschikte dame voor jou. Ik weet dat je op grote billen valt, maar ik heb alleen slanke dames.”

„Nee, ik heb geen meisje voor jou, ik weet dat je op oudere Nederlandse dames valt.”

Of ze niet zelf de prostitutie in had gewild? Verbazing in haar ogen. „Nééé, dat kan niet.” Ze komt uit de telemarketing, en de relatiebemiddeling. En nu verhuurt ze kamers aan zelfstandigen. Dat is gewoon een heel ander vak dan zelf naar de kamers gaan.

De eigenaresse weet nog hoe ze dertien jaar geleden in een autootje over De Liesbosch reed, op zoek naar een geschikte locatie voor haar zaak. Achter het stuur haar vader en haar moeder. Veel pandeigenaren hadden haar al afgewezen, maar deze was soepel. En hier zat ze goed. Geen crèche in de buurt, geen kerk, veel parkeergelegenheid. „Mijn ouders vonden het alleen te duur.”

Ze zette toch door en opende haar privéhuis. Trots toont ze de glanzende kamers met spiegelplafonds, sterrenhemels, ronde bedden en een enkel takeltje om klanten mee omhoog te hijsen. Haar vader kwam in de zaak als gastheer, soms afgewisseld door haar moeder of zus. „We zijn een hechte familie.”

Weer nee. Een man belt op om Engelssprekende dames aan te bieden.

De eigenaresse: „Wat een raar verhaal. Ik doe geen zaken met mannen. Waarom komen die dames zichzelf niet voorstellen? Ik werk alleen met zelfstandigen. Of wilt u misschien zelf solliciteren?” De man begint te schreeuwen. „Ík schreeuwen? Ik schreeuw helemaal niet als een gek, dit komt heel raar over.”

De buren waren eerst uiterst argwanend over de komst van het bordeel. De buurt zou alleen maar verloederen. Louche types, pooiers, prostituees. Ze eisten dat er geen woorden als ‘club’ of ‘privéhuis’ op de gevel zou verschijnen, de eigenaresse mocht geen reclame ophangen.

Die stemming is volledig omgeslagen. De mannen van de lokale vve zijn laaiend enthousiast. Door het bordeel komt de politie nu vaker controleren, dat is fijn voor de ondernemers. De klandizie brengt levendigheid in de stille avonduren. Het bordeel ziet streng toe op foutparkeerders. En de klanten willen niet betrapt worden, die gedragen zich keurig. „Ze laten nog geen papiertje slingeren.” Nee, wie wil er inmiddels niét naast het bordeel zitten?

Nog een keer rinkelt de telefoon. De eigenaresse zucht, een bekende. „Dit is nou de tienduizendste keer dat u belt! U moet hulp zoeken. Neem contact op met een psychiater.”
Net als in het bordeel ligt onder ieder contact op De Liesbosch een economische transactie. Een uitwisseling van goederen of gunsten.

Kijk naar de lijntjes die er onderling lopen. De schilder doet het gevelonderhoud van zijn buren. Het administratiekantoortje op de hoek bij het kerkje doet de belastingaangifte van de elektronicazaak aan de andere kant van het blok. De prostituees laten hun nagels doen bij de naastgelegen schoonheidssalon.

Heel soms is er méér dan een transactie. Als de pianohandel de vve-vergadering van muzikale omlijsting voorziet, of als de ex-growshopeigenaar bij zijn buurman de wc-ontstopper leent. Of als de kok voor zijn unit staat te barbecueën en een stukje vlees aan de buren uitdeelt.

Maar veel tijd voor contact-om-niks, of vriendschap, is er op De Liesbosch niet. Niemand van het terrein woont eens een kerkdienst bij. Niemand schuift aan bij de vrijmibo van de webshop voor visbenodigdheden. Bij de hoogspanningsmast komt niemand op het idee om een keer aan te bellen bij de „jihadtypes” van „die salafistenclub”, om te leren dat daar in werkelijkheid een frisse oud-student bedrijfseconomie zit die eerst bij een multinational werkte en nu een eigen administratiekantoor heeft en eindelijk lekker in z’n luchtige djellaba kan lopen, gewoon omdat hij daar zin in heeft. Niemand bezoekt de gevangenis.

Op dit bedrijventerrein toont alleen de ijscoman gemeenschapszin. Hoewel, zo lijkt het. Elke dag rijdt hij vanuit België een rondje over De Liesbosch – ijs kost een euro per bolletje. Maar de ijscoman rijdt zó hard; nog vóórdat de ondernemers de kans krijgen naar buiten te komen om, misschien, even met elkaar, in de buitenlucht, een ijsje te eten, is hij alweer weg.

Nog één jaar, dan mag Pieter op zijn eerste verlof met eigen ogen zien wat er aan de andere kant van de tralies gebeurt. Intussen wil hij nog méér vertellen, over zijn toekomst en over alle kansen die hij in de gevangenis heeft gekregen. Maar er wordt op de deur gebonsd. „Het is nu écht tijd!”

 

Beeldredactie
Peter Lipton
Data
Wouter van Loon
Eindredactie
Jochen van Barschot en Marie-Louise Schonewille
Fotografie
Peter de Krom
Verhaal
Carola Houtekamer en Freek Schravesande
Vorm/productie
Koen Smeets en Miriam Vieveen