Verkwanselen van de New Deal

De minister van arbeid in de eerste regering van president Clinton, Robert Reich, was zo klein van stuk dat er een speciale stoel voor hem moest worden gemaakt om te voorkomen dat hij in het Witte Huis onder de regeringstafel zou verdwijnen. Die stoel deed het goed in de Late Night Shows op de televisie, maar dat succes stelde Reichs politieke denkbeelden in de schaduw. Hij was de laatste vaandeldrager van de New Deal, een serieuze econoom die zijn professoraat in Cambridge (Mass.) opgaf om zich in Washington in te zetten voor een betere arbeidsmarktpolitiek en een rechtvaardiger verdeling van de welvaart. Bill Clinton, die hem als zijn sociale geweten beschouwde, nam hem in de eerste plaats aan boord om zijn grote kennis van de economie maar ook als tegenwicht voor de `jongens van Wall Street' die in het kabinet de dienst uitmaakten. Dat politieke bondgenootschap hield niet lang stand. Naarmate Clinton meer helde naar de financiële machten verbleekte het sociale vaandel van de minister van arbeid. Reich raakte gefrustreerd, kreeg heimwee naar zijn universitaire katheder en keerde niet terug in Clintons tweede kabinet. Intussen was de vriendschap met Clinton ook afgebrokkeld.

In de nationale spraakwaterval die de impeachment van Clinton ontketende, verraste Reich niet alleen door zijn scherpe kritiek op Clintons leugens, maar ook op de verzaking van zijn politieke idealen. In een groots opiniepaginastuk brak hij Clintons sociale beleid tot de grond toe af en bracht zijn (hun gemeenschappelijke) verkiezingsuitspraken uit 1992 in herinnering, toen Clinton plechtig beloofde banen te scheppen voor bijstandsmoeders met kinderen. Bill Clinton zwoer een einde te maken aan hun afhankelijkheid van een uitkering door de werkgelegenheid voor werkloze vrouwen uit te breiden. Reich laat er geen spaan van heel: van die belofte van extra banen is niets terechtgekomen en in plaats daarvan is het mes gezet in de belangrijkste voorzieningen van de gezondheidszorg, in de subsidies voor de kinderzorg, in her- en bijscholingsprogramma's en in de beloofde werkgelegenheidsgaranties. De hervorming van de verzorgingsstaat die Clinton in 1992 beloofde blijkt volgens Reich over de gehele lijn louter een grootscheepse bezuiniging te zijn. Wie op sociale uitkeringen is aangewezen moet financieel gestraft worden en wie geen werk zoekt, nog meer. In werkelijkheid, aldus Robert Reich, betekent dit beleid het einde van de zorg voor de behoeftigen die de staat zich meer dan 60 jaar geleden op initiatief van Franklin D. Roosevelt heeft aangetrokken.

De journalist en schrijver Christopher Hitchens betrekt in een zojuist verschenen monografie over Clintons presidentschap dezelfde stellingen als Robert Reich, maar hij verdiept zich ook in de anatomie van de dubbelzinnigheden die in de loop der jaren uit Clintons mond zijn opgetekend. Een goed deel van het fraai verzorgde boekje, getiteld No one left to lie to (uitgeverij Verso, Londen/New York) gaat over dat leugencomplex. Hitchens' gedetailleerde beschrijving van de manier waarop Clinton er telkens weer in slaagt uit zijn eigen web van leugens te ontsnappen, geeft zowel inzicht in diens kille calculerende geest als in de ondoorgrondelijke alliantie tussen een politieke elite die weet hoe ze macht en privileges moet behouden en een electoraat dat zolang het meedoet af en toe een kluif krijgt toegeworpen.

Volgens Hitchens passen Clintons onwaarheden zoals uitgesproken tegenover de Grand Jury van de Lewinsky-zaak, zijn leugens tegenover zijn familie, vrienden en het Amerikaanse volk en zijn politieke woordbreuk tegenover zijn kiezers in eenzelfde patroon. Een gewoonteleugenaar is niet kieskeurig. Hij misleidt zijn dierbaren net zo makkelijk als hij zijn denkbeelden verkwanselt. De verkwanselaar doet in deze catalogus nauwelijks voor de leugenaar onder. In 120 bijtende bladzijden somt Hitchens op wat Clinton zoal verkwanselde om het Witte Huis te behouden: zijn geweten, zijn verkiezingsbeloften, zijn liberale principes, zijn vriendschappen en zelfs de Lincoln-slaapkamer in het Witte Huis. Tijdens de campagne voor zijn herverkiezing vond Clinton aanvullende middelen voor zijn uitgeputte verkiezingskas door enkele historische vertrekken van het Witte Huis te gelde te maken. Hij veranderde het presidentiële woongedeelte in een kamerverhuurbedrijf en verdiende geruime tijd een aardige zakcent bij. Gasten die bereid waren een flinke duit in de collectezak te doen (400.000 dollar) mochten een heel weekeinde in het Witte Huis logeren, wie met minder over de brug kwam moest zich met één nacht logies tevreden stellen (250.000 dollar). Het succes met de Lincoln Bedroom effende de weg voor de `veiling' van andere vertrekken: de Oval Office, de Roosevelt Room en de Map Room. Geen enkel heiligdom bleef nog langer gesloten. Iedere Amerikaan die een veer kon wegblazen werd vereerd met een uitnodiging om – wel tegen flinke betaling – in een van de vertrekken naar keuze koffie met de president te drinken. Omdat het formeel verboden is dergelijke ruimtes commercieel te exploiteren moesten de duiten voor die koffiebijeenkomsten stiekem worden geïnd, maar Clintons handlangers vonden daar wat op. Hitchens raadpleegde de videobanden waarop de gasten van de president worden gefilmd en hoorde op een band van december 1995 een Democratische Partijbons zeggen: ,,Het spijt me, ik mag dit niet aannemen, maar wij komen er op terug en zullen dit in orde maken.'' Het ging om vijf cheques van een ongenoemd bedrag die volgens het boekje werden afgewezen. Zo werd de wet geëerbiedigd om daarmee vervolgens buiten het Witte Huis de hand te lichten.

Christopher Hitchens is, zo blijkt al op de eerste bladzij van zijn pamflet, geen FoB (Friend of Bill). Hij is ook geen bewonderaar van de Amerikaanse journalistiek die hij onverteerbaar partijdig vindt en die zich in de commentaren over de Lewinsky-zaak naar zijn mening te buiten is gegaan aan blinde hondentrouw aan de ene kant en aan onverantwoordelijke verguizing aan de andere. Als onafhankelijk beroepswaarnemer cq. als Engelsman werkend voor het Amerikaanse tijdschrift Vanity Fair, toont Hitchens zich bij uitstek gekwalificeerd om de Amerikaanse president de schedel te lichten. Zijn afkeer van Clintons dubbele tong neemt soms satirische vormen aan maar dat heeft hem niet verhinderd vernietigende oordelen te vellen die van de eerste bladzij tot de laatste door de feiten worden gedragen.