Tussen antithese, polarisatie en verzoening

Deze eeuw heeft Nederland kabinetten in allerlei soorten en maten gekend. Sterke, zwakke, polariserende, verstandige, kortstondige en langdurige.

Tussen 1900 en 2000 heeft Nederland in totaal veertig kabinetten gehad. Of eigenlijk 41, als we het liberale kabinet-Pierson-Goeman Borgesius meetellen dat nog in de vorige eeuw werd gevormd, maar tot 1901 in functie bleef. Van deze veertig kabinetten noemen we er acht die op een of andere manier iets bijzonders hadden.

Het begon in 1901 al meteen met een verschijnsel dat wij later `polarisatie' zijn gaan noemen en dat toen als `antithese' bekend werd. Bij de verkiezingen van dat jaar leden de liberalen een zware nederlaag. De rechtse (lees: confessionele) partijen, AR, CH en RK, kregen een flinke meerderheid. De antirevolutionaire leider Kuyper werd minister-president. Scherp formuleerde hij de `antithese', de door hem getrokken scheidingslijn tussen `christenen' en `paganisten'.

Slechts vier jaar heeft de dominerende figuur van Kuyper in het Torentje gezeteld. Vrijmaking van het onderwijs in al zijn geledingen, ouderdomsverzekering en protectionistisch tarief, dat was het drieledige programma dat hem voor ogen stond. Niet eens de vrijmaking van het onderwijs heeft hij volledig kunnen bewerkstelligen, al bezorgde hij zijn eigen Vrije Universiteit, geopend in 1880, het ius promovendi en deed hij ruimere subsidies toekomen aan het bijzonder lager onderwijs.

Veel verbittering veroorzaakte Kuyper met zijn reactie tegen de grote spoorwegstaking van 1903. Werkstaking door ambtenaren en spoorwegpersoneel werd strafbaar gesteld. Met deze `worgwet' haalde hij zich de haat van de sociaal-democraten op de hals. De woelige periode van het kabinet-Kuyper eindigde bij de verkiezingen van 1905.

Woelig was zeker ook de periode van een kabinet dat driekwart eeuw later veel aandacht trok, het kabinet-Den Uyl (1973-1977). In gedrevenheid en intellectuele bagage leek Den Uyl wel enigszins op Kuyper, de grote man van de gereformeerde ,,kleine luyden''. Dat was een milieu waaruit Den Uyl zelf ook voortkwam. Was Den Uyl een man van de antithese of, in moderne termen, van de polarisatie? Velen hebben het indertijd zo gezien. Maar de parlementaire historieschrijver J.Bosmans heeft er op gewezen dat Den Uyl zich tijdens zijn premierschap ontpopte ,,als een leider die het vermogen bezit om in vrijwel uitzichtloze situaties de uitersten bij elkaar te brengen zonder te vervallen in een vlakke compromissenpolitiek''.

Overigens werd er toch nog flink op los gepolariseerd, wellicht ook doordat het op zeer geforceerde wijze totstandgekomen kabinet-Den Uyl een ,,weeffout'' bevatte, namelijk bewindslieden met parlementaire binding (bestaande uit PvdA, PPR en D66) en een confessionele minderheid, die `extraparlementair' was (KVP en AR). De confessionele minderheid bleef zich onbehaaglijk voelen als `witte rand' van een `rood' kabinet. Enige malen glibberde het kabinet-Den Uyl langs de afgrond van een kabinetscrisis, alsof er in oktober '73 geen oliecrisis was ontstaan. Over ,,leuke dingen voor linkse mensen'' was het kabinet zelf ook vaak vinnig verdeeld; soms rolden bewindslieden vechtend over straat. Van veel mooie voornemens kwam niet veel terecht.

De polarisatieneigingen van Den Uyls eigen achterban tegen de christen-democraat Van Agt, die als minister van Justitie veel verzet in linkse kringen opriep, en die bij de verkiezingen van 1977 lijstaanvoerder van het CDA werd, leidden er ten slotte toe dat Den Uyl en de zijnen in de oppositie terechtkwamen ondanks een verkiezingswinst van tien zetels.

Geen antithese of polarisering, maar bezadigdheid met positieve resultaten onder moeilijke omstandigheden, daardoor kenmerkte zich tussen 1913 en 1918 een `extraparlementair' kabinet onder premierschap van de liberale staatsman Cort van der Linden, een ietwat aartsvaderlijke figuur. Eigenlijk had in 1913 een `paars' (de term bestond toen overigens nog niet) kabinet moeten worden gevormd, gezien de verkiezingsuitslag van dat jaar, toen liberalen en sociaal-democraten samen de meerderheid kregen. Maar het liep anders: nadat de SDAP regeringsdeelneming had geweigerd, kwam een vrijzinnig kabinet tot stand met een programma waaraan ook de sociaaldemocraten steun konden geven; het ging namelijk om invoering van algemeen kiesrecht en staatspensioen.

Het kabinet-Cort van der Linden heeft ongetwijfeld twee historische verdiensten gehad. Heel belangrijk was in de eerste plaats het buitenlands beleid tijdens de van 1914 tot 1918 durende Eerste Wereldoorlog, waarin Nederland neutraal kon blijven, ofschoon niet zonder perikelen. Op financieel-economisch gebied zorgde de voortvarende minister Treub (aanvankelijk Landbouw, later Financiën) in de eerste oorlogsdagen van 1914 voor een aantal noodmaatregelen op zeer korte termijn, waardoor een financieel-economische chaos werd voorkomen. Nieuw was ook een stelsel van levensmiddelendistributie; volgens de regering zou in Nederland tijdens de oorlog ,,geen honger worden geleden'', al kwam het hier en daar toch nog wel tot hongeropstootjes.

Ondanks alle oorlogsmoeilijkheden slaagde het kabinet-Cort van der Linden ook nog in het voltooien van een grondwetsherziening om te komen tot algemeen kiesrecht, evenredige vertegenwoordiging en beëindiging van de schoolstrijd. Dat is zeker de tweede historische verdienste van dit kabinet geweest. Hier was volgens de parlementaire geschiedschrijver Oud sprake van ,,groot staatsmansbeleid''. Met de toen 72-jarige Cort van der Linden verdween in 1918 de laatste liberale premier die Nederland heeft gehad. (De latere sociaal-democratische premier Drees zou ook, in 1958, zijn premierschap beëindigen op 72-jarige leeftijd).

Kabinetten die bij hun aantreden iets nieuws brachten qua samenstelling heeft Nederland in de 20ste eeuw ook gekend. Afgezien van het hierboven al genoemde kabinet-Den Uyl (1973) verdient wat dit betreft in de eerste plaats het in 1933 gevormde crisiskabinet-Colijn vermelding. De oude rechtse (confessionele) coalitie, bestaande uit RK, AR en CH, was niet voldoende opgewassen gebleken tegen de gevolgen van de in 1929 uitgebroken economische wereldcrisis. Colijn, de sterke man van de anti-revolutionairen, in 1933 kabinetsformateur geworden, zocht toenadering tot de liberalen en de vrijzinnig democraten. Hij wilde een brede basis krijgen voor de door hem beoogde politiek van `aanpassing', destijds een eufemisme voor bezuiniging. De vrijzinnig democraat Oud werd minister van Financiën.

Tot op de huidige dag is het beleid van het tweede en derde kabinet-Colijn (1933-1937) zeer omstreden gebleven. Hadden Colijn en Oud onvoldoende oog voor de ellende van de werkloosheid? Gingen zij niet te laat over tot devaluatie van de gulden?

Nadat Colijn in 1939 door de Tweede Kamer definitief ten val was gebracht ontstond een kabinet dat op zichzelf ook weer iets nieuws bevatte, namelijk deelneming van de sociaal-democraten aan de regering. Voor het eerst in haar 45-jarig bestaan mocht de SDAP zich regeringspartij noemen. Premier van dit `noodkabinet' werd de christelijk-historische politicus De Geer. Het was dus geen specifiek rooms-rode coalitie, maar de grondslag voor een tot 1958 durende rooms-rode samenwerking was in 1939 wel gelegd. Veel valt verder over dit in de meidagen van 1940 naar Engeland vertrokken kabinet niet te melden.

Iets nieuws bracht ook het kort na de bevrijding van heel Nederland in 1945 gevormde kabinet-Schermerhorn-Drees, waarin eerstgenoemde (tot dusver op politiek gebied vrijwel onbekend) premier werd, en de ander, een prominente SDAP'er, minister van Sociale Zaken. ,,Herstel en vernieuwing'' was de leus waarmee het kabinet zich presenteerde. Het herstel zou de vernieuwing gaan overschaduwen. Gigantisch waren de problemen: wederopbouw van een verwoest land, geldzuivering, bestraffing van collaborateurs uit de bezettingstijd, chaos in Nederlands-Indië (na de Japanse capitulatie in augustus '45) en bestuurlijke vraagstukken, zoals het weer op gang brengen van de parlementaire democratie. Pas in mei 1946 werden Kamerverkiezingen gehouden en deze liepen uit op een teleurstelling voor de inmiddels opgerichte PvdA, waarin de sociaal-democraten, vrijzinnig democraten en enige confessionelen zouden samengaan. Grootste partij werd de KVP, de vroegere RK-staatspartij. Premier van een rooms-rood kabinet werd de KVP'er Beel.

,,Een kabinet van kraakporselein'', luidde een krantenkop op 7 augustus 1948 boven het bericht over de totstandkoming van het kabinet-Drees-Van Schaik, een kabinet op brede basis, want KVP en PvdA beschikten samen niet over een meerderheid van tweederde voor een grondwetsherziening met het oog op de Indonesische kwestie. CHU en VVD kregen een plaats in het kabinet.

De VVD'er Stikker kreeg de belangrijke post van Buitenlandse Zaken, terwijl Drees premier werd, hoewel de PvdA bij de verkiezingen van 1948 verlies had geleden. De grondwetsherziening werd aanvaard, maar de Indonesische kwestie werd langzamerhand ,,het Indonesische drama''. Na een tweede politiële actie nam Nederland na moeizame onderhandelingen onder verantwoordelijkheid van het kabinet-Drees-Van Schaik in december 1949 afscheid van Indië. Weldra begon de VVD-fractie zich onder leiding van Oud in de Tweede Kamer te distantiëren van het kabinet. Minister Stikker ging zich door zijn partijgenoten in de steek gelaten voelen en vroeg in januari 1951 ontslag na een debat over Westelijk Nieuw-Guinea; een complete kabinetscrisis was het gevolg. Stikker zat weliswaar ook nog in het volgende kabinet, maar vanaf 1952 zouden PvdA en VVD maar liefst 42 jaar lang elkaar van regeringssamenwerking uitsluiten. Pas met de komst van het eerste kabinet-Kok in 1994 zou er een nieuwe situatie ontstaan: een paars kabinet van PvdA, VVD en D66, met uitsluiting van de confessionelen, die voor het eerst sinds 1918 geheel uit de boot vielen.

Tot zover een greep uit de veertig kabinetten, met excuses vooral aan de premiers met het grootste aantal dienstjaren: Lubbers (1982-1994) en wijlen Ruys de Beerenbrouck (1918-1925 en 1929-1933).

De auteur was parlementair redacteur van deze krant van 1967 tot 1991.