Troonrede Wilhelmina 1899

[*] Mijne Heeren!

Het is Mij aangenaam U bijeen te zien tot hervatting Uwer werkzaamheden.

Moge de algemeene toestand van Ons Vaderland en zijne overzeesche gewesten ruime stof geven tot dankbaarheid, er is op menig gebied dringend behoefte aan krachtige wetgevende maatregelen. Ik reken, tot voorziening daarin, op den ijver en de toewijding der Staten-Generaal.

De betrekkingen met de Buitenlandsche Mogendheden blijven zeer vriendschappelijk.

Op de Vredesconferentie te dezer stede ingevolge uitnoodiging van Zijne Majesteit den Keizer van Rusland door Mij bijeengeroepen, zijn internationale verdragen van gewichtige strekking tot stand gekomen, tot welke Mijne Regeering is toegetreden. Ik heb grond te hopen, dat eerlang alle Mogendheden, die aan de Conferentie hebben deelgenomen, die verdragen zullen onderteekenen.

De gunstige verwachtingen met betrekking tot den toestand in Atjeh, ten vorigen jare door Mij uitgesproken, zijn verwezenlijkt. In Groot-Atjeh is de rust bijna ongestoord gebleven, en in de kustlanden breidt onze invloed zich voortdurend uit. Hoewel ons gezag zich op eenige plaatsen nog met de wapens moest doen gelden, konden de aanwezige troepen tot de vorige sterkte worden teruggebracht.

Voor de jongste krijgsverrichtingen breng Ik warme hulde aan het Nederlandsch-Indische Leger, alsook aan de Vloot en hare landingsdivisie.

Nieuwe wetsontwerpen zullen U in den loop van dit zittingjaar worden aangeboden.

Voordrachten tot regeling van de samenstelling der landmacht en tot nadere wijziging en aanvulling der militiewet zullen U eerlang bereiken. Ook zal u eene verbeterde regeling van de bevordering, het ontslag en de pensionneering van officieren, alsmede van de militaire pensioenen, zoowel voor de zee- als voor de landmacht worden voorgedragen.

Van de verder in te dienen ontwerpen vermeld Ik die betreffende het arbeidscontract, de drankwet, de armenwet, het tarief van invoerrechten en de comptabiliteit. Wat de Oost-Indische koloniën betreft, zal Uwe medewerking worden gevraagd ten behoeve der verkeersmiddelen in Atjeh en der bevloeiingswerken op het eiland Java.

Ik vertrouw, dat de arbeid, dien Gij verrichten zult, onder Gods zegen dienstbaar zal zijn aan de belangen van het Koninkrijk.

Ik verklaar de gewone zitting der Staten-Generaal te zijn geopend.

Dit is de integrale tekst van de troonrede zoals die op 19 september 1899 werd uitgesproken door koningin Wilhelmina.