`Toneel moet weer ensemblekunst worden'

Met de aanstelling van regisseur Rob Ligthert en toneelschrijver Peer Wittenbols als artistieke leiding van Theater van het Oosten begint het gezelschap in Arnhem een nieuwe koers te varen. `We willen de zieltogende band met het Arnhemse publiek weer opbouwen.'

Vanaf 1 januari 2001 vervult regisseur Rob Ligthert (1964) het artistieke leiderschap van het Theater van het Oosten in Arnhem. Vier jaar lang krijgt hij carte blanche om het Arnhemse gezelschap nieuw elan te geven. Hij zal de leiding delen met zijn sparring-partner Peer Wittenbols (1965), de onlangs met de Van der Vies-prijs voor toneelschrijfkunst bekroonde toneelschrijver. Beiden zijn afkomstig van het Maastrichtse gezelschap De Federatie, dat zij in 1993 oprichtten.

Een uitermate kort en bondig briefje door het tweetal aan het bestuur van het Theater van het Oosten leidde uiteindelijk, na een procedure van acht maanden, tot hun benoeming. Ligthert en Wittenbols schreven: `Wij hopen dat de zuidelijke ambitie de oostelijke kan ontmoeten.' In tegenstelling tot zijn voorganger Leonard Frank wil Ligthert van het Theater van het Oosten een ensemblegezelschap maken. Gisteren maakten Ligthert en Wittenbols hun plannen bekend in weldadig heldere, bijna achteloze bewoordingen zonder zware pretenties.

,,Het gaat erom'', betoogde Ligthert, ,,om met vaste en duidelijke uitgangspunten te beginnen, anders is van meet af aan alles troebel. In Maastricht, waar wij ons eigen gezelschap De Federatie hebben, is ons voor alles gebleken dat toneel ensemblekunst is. Toneel moet wortelen in de stad waar het gemaakt wordt. Daarom nemen wij de aanstelling hier in Arnhem serieus en gaan wij, zowel de leiding als de spelers, in Arnhem wonen. We verhuizen dus. Met ons komt een kern van zo'n tien acteurs en actrices mee. Er is ons veel aan gelegen om de zieltogende band met het Arnhemse publiek weer op te bouwen. Dat is voor een stadsgezelschap een voorwaarde, anders ga je zwalken.''

Traditiegetrouw subsidiëren de provincies Arnhem en Overijssel het Theater van het Oosten. Dat betekent dat bij toerbeurt de premières in een schouwburg in de regio moeten plaatsvinden, van Lochem tot Doetinchem. Ligthert is dat niet van plan: ,,Er wacht ons nog een hachelijke taak. In de loop van de tijd is de verstandhouding tussen de Arnhemse Stadsschouwburg en het gezelschap vervaagd. Hoewel wij geen vaste bespeler worden van de schouwburg wil ik toch de premières voor de grote zaal daar uitbrengen. Anders verliezen we voor de stad ons gezicht, onze herkenning. Een stadsensemble heeft drie taken: het moet de grote zaal kunnen beheersen, het moet in de kleine zaal verrassende en inventieve voorstellingen brengen en ten derde dient het op locatie te gaan spelen. Park Sonsbeek is een prachtige locatie, die we afgelopen zomer al gebruikten. We komen dus heel dicht in de buurt.''

Thuishaven van het Ligthert/ Wittenbols-gezelschap zal het eigen gebouw in de Arnhemse binnenstad zijn, met een kleine zaal, kantoren en een atelier. Secretaris Herman Hofman van het toneelbestuur geeft aan de nieuwe leiding de vrijheid de naam eventueel te veranderen. Ze hebben niet de plicht onder de vlag van het Theater van het Oosten te gaan varen. De aanstelling van deze theatermakers roept de schijn op dat het bestuur, dat autonoom heet te zijn, de dwingende oproep van staatssecretaris Van der Ploeg ter harte heeft genomen om jonge gezelschappen een kans te geven. Hofman ontkent de invloed van Van der Ploeg: ,,In een van de eerste gespreksronden nodigden we Hollandia uit. Dat ketste af. Wij zochten naar een stadsensemble, meer dan Hollandia kon bieden. Daarop adviseerde Van der Ploeg om ons te oriënteren op gezelschappen als De Federatie, Het Oranjehotel en Growing Up in Public. Ligthert en Wittenbols namen zelf het initiatief. Doorslag gaf dat het `klikte'. Bovendien is voor ons van wezenlijk belang dat het Theater van het Oosten opnieuw en ditmaal heel nadrukkelijk gaat wortelen in Arnhem.''

,,Wat deze aanstelling voor ons betekent'', zegt Ligthert, ,,is dat we, na zoveel jaren, voor het eerst echt vaste grond onder onze voeten hebben. Ons wankele bestaan is voor vier jaar gelegitimeerd. Peer Wittenbols en ik hebben veel plannen. Peer als huisschrijver zal niet alleen met nieuwe stukken komen, ook stel ik me voor dat hij een bewerking maakt van `een Shakespeare of een andere klassieker', om het oneerbiedig te zeggen. Ik wil jonge theaterschrijvers uit Europa voor ons teksten laten maken, zodat de stukken van Peer eens in een Europese context gezien worden. Ik zou een uitwisseling willen met Groningen, waar Koos Terpstra werkt. En waarom moet het Theaterfestival zich in Amsterdam afspelen? Ik kan me voorstellen dat we aan het slot van elk seizoen een festival geven waar de oogst getoond wordt van een jaar lang nieuwe Nederlandse toneelschrijfkunst. We zijn met Frans Strijards, docent hier aan de Arnhemse Toneelschool, in gesprek. We willen hem om gastregies vragen, ook praten we met hem over het leiden van een gezelschap, over het schrijven van nieuw repertoire.''

De combinatie van een artistieke leiding die uit een regisseur en schrijver bestaat, is zeldzaam in het Nederlandse toneel. Meestal treedt een regisseur aan met een dramaturg naast zich. Gaat Wittenbols nu zes stukken per jaar schrijven? Wittenbols: ,,Nee, dat is ondenkbaar. Ik zal me, als schrijver, vooral flink bemoeien met de keuze van het repertoire, met de bewerking van klassieke stukken. Ik ga zoeken naar jonge schrijvers zowel in als buiten Nederland. Die vier jaar hier in Arnhem kunnen voor ons al niet kapot.''