Personeelstekort in de zorgsector smetje op begroting van VWS

Geld in overvloed, maar geen personeel om het aan uit te geven. Tekort aan personeel is de belangrijkste `bedreiging' voor de zorgsector. Het verloop onder de ruim 800.000 werknemers in de zorg is hoog (ruim 10 procent) net als het ziekteverzuim (bijna 7,5 procent). Jaarlijks zeggen ruim 90.000 van hen de baan op. Gelukkig, aldus minister Borst bij de toelichting op haar begroting, kiest de helft voor een andere baan in de sector en blijft dus voor de zorg behouden. Maar voor de andere 45.000 moet dus nieuw personeel worden aangetrokken. Daarbij komt nog eens de bezetting van de nieuwe banen die met het beschikbare extra geld worden gecreëerd – vanaf volgend jaar zijn dat er jaarlijks ongeveer 25.000.

Het aantrekken van dat personeel is volgens de minister een `heidens karwei' nu het economisch voor de wind gaat en ook andere sectoren kampen met toenemende personeelsschaarste. Het enige lichtpuntje dat de minister wat dit betreft in haar begroting kan melden, is de toegenomen belangstelling onder schoolverlaters voor de opleiding tot verpleegkundige en verzorgende. Voor het eerst sinds jaren is het aantal aanmeldingen (iets) hoger dan in het voorafgaande jaar. Maar omdat maar iets meerdan de helft van de 18.000 leerlingen ook daadwerkelijk in de zorg aan de slag gaat, biedt dit nauwelijks soelaas. Borst herhaalde daarom ook maar de eerdere constatering van haar staatssecretaris, Vliegenthart, ,,dat er wel geld genoeg is, waarmee we toch niet voldoende handen aan het bed kunnen krijgen''.

Het personeelstekort is een van de weinige smetjes in het verder rooskleurige scenario dat Borst en Vliegenthart schetsen in hun begroting. Want met de gezondheidszorg, ouderenzorg en welzijnswereld gaat het volgens hen in crescendo. Er is veel meer geld beschikbaar en met de uitgevende partijen zijn afspraken gemaakt over de besteding, met de toezegging dat deze later zeggen wat ze precies voor dat geld hebben gedaan.

Borst en Vliegenthart hebben in 2000 ruim tachtig miljard gulden te verdelen, drie miljard gulden meer dan vorig jaar. Die tachtig miljard wordt voor het grootste deel (66 miljard) opgebracht door de burgers die premie betalen voor het ziekenfonds, particuliere ziektekostenverzekering of Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Vijf miljard betalen de consumenten in de vorm van `eigen bijdragen' en de rest komt uit de belastingpot.

Aan de uitgavenzijde gaat 75 miljard (4.700 gulden per inwoner) om in de zorgsector. De overige vijf miljard gulden gaan naar het jeugdbeleid (1,5 miljard), sport (78 miljoen), oorlogsslachtoffers (830 miljoen) en voor de financiering van inspectie, ministerie en onderzoeksinstituten.

In de zorg krijgen, voor het eerst, verpleeg- en verzorgingshuizen en inrichtingen samen evenveel geld als de ziekenhuizen en huis- en tandartsen: elk zo'n 29,5 miljard gulden. De `cure'-sector van ziekenhuizen en huis- en tandartsen heeft er 172 miljoen gulden bij gekregen (naast een vergoeding voor gestegen prijzen en lonen), de `care'-sector 650 miljoen.

De nieuwe bestuurlijke aanpak vormt de rode draad in de Zorgnota 2000, de `begroting' voor de zorgsector. Borst en Vliegenthart verhullen daarin niet er trots op te zijn in het afgelopen jaar een nieuwe bestuurscultuur in de zorgsector te hebben uitgezaaid: het ministerie schetst de hoofdlijnen van het gewenste beleid, houdt rekening met aangedragen ontwikkelingen op de `werkvloer' en verstrekt het benodigde geld. Instellingen in de zorgsector krijgen daarna de vrijheid dat beleid naar eigen inzicht uit te voeren.

In vrijwel alle deelsectoren kon het ministerie met de overkoepelende organisaties daarover `meerjarenafspraken' maken. Borst en Vliegenthart erkennen dat ze daarbij wel de wind in de zeilen hadden: er was immers extra geld (5,6 miljard gulden gedurende deze kabinetsperiode) te verdelen. De geestelijke gezondheidszorg tekende niet, omdat GGZ Nederland vond dat zij te weinig extra geld kreeg naast de 6,7 miljard gulden die deze deelsector kost. In de meerjarenafspraken leggen de partijen vast hoeveel geld de sector er in de periode tot en met 2002 bij krijgt en welke prestaties daar tegenover zullen staan.

En het belangrijkste misschien: jaarlijks moet ook worden aangegeven welke prestaties er daadwerkelijk zijn geleverd: of en met hoeveel de wachttijden en wachtlijsten korter zijn geworden, op welke manier rekening is gehouden met de veranderde vraag en hoe en in welke mate er (voor de patiënt) doelmatiger wordt gewerkt.

Met alle deelsectoren zijn bovendien afspraken gemaakt over een forse verbetering van de informatievoorziening. Die is immers in de zorgsector al jaren belabberd. Hoeveel patiënten er worden behandeld instellingen weten het vaak niet. Wachtlijsten betrouwbare informatie daarover ontbreekt. ,,De strijd tegen de wachtlijsten is vooralsnog een strijd tegen een gedeeltelijk verborgen vijand'', aldus Vliegenthart tijdens haar toelichting op de begroting. Er is voor die `strijd' volgend jaar 650 miljoen gulden beschikbaar, maar over de lengte van de wachtlijsten, de bezetting ervan en de wachttijden ontbreekt in veel gevallen betrouwbare informatie. Instellingen registreren bovendien niet eenduidig.

Afspraken geven overigens geen garantie dat het ook beter gaat, zo leert de ervaring bij de ziekenhuizen. Die kregen in 1997 (75 miljoen gulden) en 1998 (90 miljoen gulden) extra geld voor de aanpak van de wachtlijsten, op voorwaarde dat ze eenzelfde registratiesysteem zouden gaan hanteren. Dit voorjaar bleek dat nog niet de helft van de ziekenhuizen dit ook doet. In de geestelijke gezondheidszorg zegt bijna 20 procent van de instellingen daar zelfs nooit aan te zullen meewerken.

Het succes van hun aanpak met meerjarenafspraken hangt behalve van de informatievoorziening ook af van het al dan niet slagen van de regionalisatie, zo erkennen minister Borst en staatssecretaris Vliegenthart. De verdeling van het geld over de regio's en de mate waarin de zorgkantoren van de verzekeraars er in zullen slagen de vraag naar hulp te vertalen in voldoende aanbod, zullen daarvoor doorslaggevend zijn. In de regio's bepalen deze zorgkantoren uiteindelijk hoeveel elke instelling krijgt, aan de meerjarenafspraken zelf kunnen ze geen rechten ontlenen.