Ideologie remt Chinese groei

Terwijl iedereen beseft dat de Chinese economie alleen nog socialistisch is in naam, houden de Chinese leiders te star vast aan een centraal geleide staatseconomie. Dat heeft een verstikkende uitwerking op de rest van de economie.

Terwijl buiten de voorbereidingen plaatshebben voor het gouden jubileum van de socialistische Volksrepubliek China, is binnen in de Grote Hal van het Volk de stemming bedrukt. De jaarvergadering van de communistische partij, die morgen afloopt, is, anders dan de façade van succes die buiten wordt opgetrokken, een plek van politieke realiteit. De vraag die daar de afgelopen drie dagen aan de orde is gekomen, raakt het hart van het communistische bewind; moet China economisch bloeden ten kosten van de ideologie?

De kwestie lijkt eenvoudig. China's grote staatsbedrijven lijden enorme verliezen. De Chinese regering springt al jaren bij. Maar de `bloedtransfusie' van de overheid kost handen vol geld. Het is zo duur dat de economie er zwaar onder gedrukt gaat. De oplossing is volgens veel economen en gematigde politici voorhanden. De staatsbedrijven moeten compleet van de hand in ruil voor steun aan de private sector. Dat is de sector met de meeste mogelijkheden voor groei en een plek waar werkloze staatsarbeiders tegenwoordig nog aan de slag komen.

Maar de Chinese leiders willen er niet aan. De staatseconomie is het fundament van de socialistische samenleving dat niet mag worden verkwanseld aan de roekeloze kapitalistische ondernemers. Zo althans luiden de bezwaren in theorie, want iedereen weet dat de Chinese economie alleen nog socialistisch is in naam. Grote delen van de staatseconomie, die in 1980 nog goed was voor tachtig procent van de nationale economie, zijn sinds het beleidsbepalende vijftiende partijcongres, twee jaar geleden, in verschillende bedrijfsvormen van de hand gedaan; als collectieven, bedrijven met aandeelhouders en private ondernemingen.

Inmiddels is het aandeel van de staatssector in de Chinese economie gedaald tot vijftig procent. Volgens de behoudende politiek in China moet het daarbij blijven. Maar de dagelijkse realiteit leert dat het levend houden van staatsbedrijven die zich niet zelfstandig kunnen staande houden, een verstikkende uitwerking heeft op het deel van de economie dat wel naar behoren functioneert. Zo bleek in 1998 dat slechts vijf procent van de uitstaande leningen van China's vier grootste banken was bestemd voor private ondernemingen. Een zelfstandige ondernemer in China telt nog altijd niet mee, ook al behoort hij dat sinds de grondwetwijzigingen van dit jaar wel te doen.

De meer dan driehonderd leden van het Centraal Comite van de communistische partij beraden zich dezer dagen in Peking over de vraag of het behoud van de sociale stabiliteit, en daarmee misschien wel het voortbestaan van de partij, belangrijker is dan de staat van de Chinese economie. Het verontrustende antwoord dat de selectieve groep partijleden de afgelopen maanden tot een passieve besluiteloosheid heeft gemaand, is dat de opties die voorhanden zijn op de lange termijn waarschijnlijk even desastreus zijn. Slecht functionerende staatsbedrijven kunnen niet eeuwig draaiend worden gehouden. En de gevolgen daar zouden dezelfde zijn als wanneer die bedrijven met onmiddellijk ingang zouden worden gesloten. De grote groep ontevreden arbeiders die nu massaal op straat is beland, was daar op den duur toch wel terecht gekomen. (Volgens de laatste optimistische gegevens van het Chinese ministerie van arbeid hebben 7.4 miljoen geregistreerde staatsarbeiders geen werk.)

De punten van sombere aandacht in de galmende vergaderruimten van de Grote Hal van het Volk gelden bovenal percentages. Wat is een acceptabel niveau werklozen in het socialistische arbeidersparadijs? Hoe omvangrijk mag de staatssector zijn? Het zijn vragen die tot heftige emoties leiden. In een land waar tot begin jaren negentig het begrip `werkloosheid' nog in het Chinese vocabulair ontbrak, valt het moeilijk te verkroppen dat de afgelopen jaren miljoenen arbeiders tot de bedelstaf zijn veroordeeld. En ook het woord privatisering heeft nog altijd een onaangename smaak. In de Chinese vertaling maakt het karakter 'egoistisch' deel uit van het woord en geen van de communistische leiders wil daarmee worden geassocieerd. President Jiang Zemin's weerstand tegen grootschalige privatiseringen is geen geheim en in augustus zei hij de optie zelfs ,,absoluut uit te sluiten.'' Maar een maand later heeft de twijfel weer toegeslagen en inmiddels zijn Jiang dergelijke conservatieve gedachten niet meer ontvallen. 25 procent van de economie' zou nu Jiang's ondergrens zijn voor de controle die de staat moet behouden over de economie. De staalproductie, de spoorwegen, telecommunicatie en de petro-chemische industrie moeten staatseigendom blijven. Alle andere sectoren zouden voortaan mogen experimenteren met eigendomsvormen. Morgen maakt de partij dara meer over bekend.