Het kabinet voor de winnaars

Paars heeft slechts oog voor de competenties van welgestelden en hoogopgeleiden, concludeert

Bas van Stokkom na lezing van de Miljoenennota en de troonrede. Het is de economie die de maatschappelijke ordening bepaalt en niet de politiek. Een structurele bestrijding van de ongelijkheid is achterhaald en wordt zelfs als bedreigend ervaren.

De troonrede is eigenlijk al vorige week uitgesproken. Met het toen gepresenteerde belastingplan voor de nieuwe eeuw heeft het paarse kabinet zijn ware gezicht laten zien. Een fiscaal aantrekkelijker regime moet van Nederland een gunstiger vestigingsplaats op de wereldmarkt maken. Lastenverlichting moet de economie aanjagen en meer banen creëren. Dit is Paars ten voeten uit. Het is de economie die de maatschappelijke ordening bepaalt, niet de politiek.

Paars richt zich tot winnaars. Vanuit de eigen geslaagde loopbaan wordt iedereen `gelijke kansen' toebedacht en is de samenleving vergeven van `win-win-situaties'. Het woord `verliezer' lijkt een belediging voor de paarse logica van economische dynamiek en vitaliteit, en een vloek voor het liberale mensbeeld van het onafhankelijke, zelfredzame individu.

Het paarse beleid is toegeschreven naar de competenties van welgestelden en hoogopgeleiden. Bovendien klinkt in de paarse retoriek door dat succes en welvaart te danken zijn aan eigen capaciteiten, intelligentie en inspanning, een beloning voor hard werken.

De grote klapper volgt in 2001. Dan moet de grootscheepse belastingherziening met een daaraan gekoppelde lastenverlichting van vijf miljard gulden een feit zijn. Het commentaar op de belastingvoornemens laat zich raden: waar rijkdom heerst en burgers hun geld voornamelijk aan het doorlopende consumptiefeest besteden, bestaat geen noodzaak voor lastenverlichting. Beter is het de noden in het onderwijs en de zorg te lenigen.

Ook het voornemen vermogenswinsten tegen een uitermate vriendelijk tarief te belasten is terecht op veel kritiek gestuit. De rijken worden bevoordeeld en er wordt een premie gezet op economische macht. Waarom geen vermogenswinstbelasting, het progressief afromen van ondoelmatig gebruikt kapitaal? Kapitalistische landen bij uitstek als de Verenigde Staten en Groot-Brittannië kennen zo'n type heffing. `Valt niet te innen', zegt staatssecretaris en hyperpragmaticus Willem Vermeend. Wat theoretisch juist is maar in de praktijk niet werkt, biedt zijns inziens slechts schijnrechtvaardigheid. Met de nieuwe regeling die Vermeend uit de hoge hoed heeft getoverd, de heffing over van tevoren vastgesteld fictieve rendement over vermogen, kunnen vermogenden de fiscale dans niet meer ontspringen.

Nederland loopt in Europa voorop met deze heffing, zo wordt alom trots gemeld. Of dat de fiscale problematiek vermindert is echter de vraag. De nieuwe regeling kan om met Thijs Wöltgens te spreken evengoed als een `kortzichtig provincialisme' worden omschreven. Vermeend heeft immers een struikelblok voor effectieve aanpak van kapitaalvlucht in Europees verband gecreëerd.

Het draagkrachtbeginsel lijkt er in de ogen van Vermeend niet meer toe te doen. Wat zijn de sociale en morele kosten van het afschrijven van dat beginsel? Te vrezen valt dat belasting betalen niet meer als een vorm van loyaliteit met zwakkere groepen zal worden ervaren. Het besef ebt weg dat er op bezit een `sociale hypotheek' rust. De taak van de overheid als schild der zwakkeren te fungeren, wordt daardoor bemoeilijkt.

Tegelijk werpt Vermeend zich op als woordvoerder van een calculerende overheid. Ook dat heeft zijn prijs. Burgers worden immers aangespoord een zelfde calculerende attitude te beproeven: het is dom meer belasting te betalen dan publieke goederen te consumeren. Een negatief uitvallende ruil met de overheid verraadt een tekort aan raffinement. De belastingmoraal wordt dus verder uitgehold: niet de fiscale verplichtingen worden als legitiem ervaren, maar het tegendeel: belastingweerstand.

De overheid moet sluw gedrag niet tot voorbeeld moeten stellen. De overheid moet visie uitstralen en burgers duidelijk maken op welke rechtvaardigheidsgronden het belastingstelsel rust.

Hetzelfde geldt voor de Miljoenennota. Vooral de financieel-economische paragrafen ontberen een politieke visie. De nota leest als een koersbepaling van een onderneming, niet van een politieke gemeenschap die het Rijk per slot van rekening is. De mooie woorden die in de troonrede aan de publieke zaak zijn gewijd, doen aan die economische benadering niets af. De nota heeft hoge verwachtingen van flexibiliteit en employability, de inzetbaarheid van individuen op de arbeidsmarkt. Na de passage over consumentenvertrouwen is het vergeefs zoeken naar woorden over burgervertrouwen. Het woord burger lijkt zorgvuldig te zijn weggemoffeld. De BV Nederland bestaat uit ondernemers, werkenden en werkzoekenden die zich snel moeten aanpassen aan de veranderingen die technologie en wereldmarkt teweegbrengen. Veel aandacht voor betere marktprestaties, weinig nadruk op grotere verantwoordelijkheid in het publieke domein. Koopkracht, inkomen en andere `lonende waarden' tellen, veiligheid en leefbaarheid zijn daarvan een afgeleide. En steeds wordt in economische en dus abstracte termen over mensen gesproken: meer prijs-, winst- en inkomensprikkels zullen het gewenste gedrag uitlokken. Volgens dat platte behaviorisme doen burgers alleen iets als ze er een extra geldelijke beloning voor krijgen.

Tekenend is dat onderwijs en scholing geheel in dienst staan van bevordering van economische groei. `Kennis is een sleutelfactor geworden in de internationale concurrentiestrijd', zo valt in de stukken te lezen. We moeten investeren in kennisopbouw `voor een sterke concurrentiepositie en een gunstig vestigingsklimaat'. Het belang van onderwijs wordt dus niet afgemeten aan het eigen maken van burgerschap-vaardigheden, noch aan cultuuroverdracht. Nee, onderwijs behoeft versterking omdat het kennis op de markt brengt.

In de nota is weinig nagedacht over de sociale kosten die voortvloeien uit de penetratie van de markt in de samenleving: hebzucht wordt opgewekt, verwachtingen worden opgeschroefd en het ongeduld neemt toe. De sociale samenhang in gezinnen en buurten gaat teloor terwijl de maatschappelijke ondergrond van `niet-lonende waarden' zoals respect, vertrouwen en medeleven - de basis voor een bloeiend economisch verkeer - wordt ondermijnd.

De Haagse rekenmeesters zetten alle kaarten op grotere arbeidsdeelname: er komt meer geld binnen en er hoeft minder betaald te worden aan sociale zekerheid. Werklozen en arbeidsongeschikten moeten dus zo snel mogelijk aan de slag: ,,Het wordt zo weer meer vanzelfsprekend en eervol dat werknemers tot hun 65e jaar blijven doorwerken''. Dat is gemakkelijk gezegd voor werknemers die zichzelf kunnen ontplooien in het bolwerk van luxe-baantjes, maar of werken aan de onderkant van de arbeidsmarkt zo eervol is valt te betwijfelen. Dat werk is vaak geestdodend en vernederend.

De term arbeidsparticipatie is dan ook ronduit misleidend. Participatie, zich deelgenoot weten, aan wat? Het concern? Marginale baanhouders hebben meestal part noch deel aan het bedrijf waarin zij werkzaam zijn. Identificatie met het werk is zo goed als uitgesloten. Op de één of nadere manier blijven politici en economen denken dat langdurig werklozen mensen zijn zoals zijzelf: ondernemend, hoge ambities en een goed oog voor eigenbelang. Feitelijk gaan veel werklozen gebukt onder een psychische problematiek van deprivatie die wantrouwen laat floreren en initiatief uitdooft.

Ook over de sociale kosten van de banenmachine is niet goed nagedacht. In zekere zin betekent iedere nieuwe arbeidsplek die wordt gecreëerd een aantasting van de sociale infrastructuur. Immers, ouders zijn minder beschikbaar voor hun kinderen, de betrokkenheid bij buurt en vrijwilligerswerk verwatert, anonieme wijken worden minder resistent tegen crimineel gedrag.

In de studie The corrosion of character heeft de socioloog Richard Sennett zich gebogen over de psychologische kosten van werk in het `nieuwe kapitalisme'. Volgens Sennett kunnen in de dynamische wereldmarkt waar het kabinet zo hoog van opgeeft, bedrijven ieder moment worden samengevoegd of failliet gaan. Banen komen en gaan. Aldus worden onzekerheid, instabiliteit en desoriëntatie permanente aspecten in het psychische huishouden van werknemers. Het wordt steeds moeilijker je identiteit aan het werk te ontlenen en onderlinge vertrouwensbanden te ontwikkelen. Het gevoel vervangbaar en overbodig te zijn maakt zich van de flexwerker meester; het persoonlijke karakter wordt weggevreten.

Als dat alles zo is, waarom zouden burgers zich dan snel moeten aanpassen aan de veranderingen die de wereldmarkt brengt? Waarom zou Nederland geen kracht kunnen putten uit de capaciteiten en tradities van het eigen bedrijfsleven? Een eigen economische weg is misschien ook lucratiever.

Paars zou minder dogmatisch met het principe van arbeidsdeelname kunnen omspringen. Voor velen is betaald werk een uitkomst, voor anderen minder. Voor mensen met psychische aandoeningen of alleenstaande ouders met moeilijke kinderen is het zoeken van een baan bepaald niet de koninklijke weg naar een beter bestaan (zeker niet als die baan slopend is). Deze mensen zijn er meer bij gebaat dat ze in een sociaal web van vrienden, vrijwilligers en buurtbewoners worden ingesponnen zodat ze meer steun en zorg ontvangen.

Het is de opgave de combinatie van arbeid en zorg te bevorderen en een ontspannen arbeidsbestel te verwerkelijken. Dat betekent: voorwaarden bieden zodat werknemers gemakkelijker toekomen zorgtaken in eigen omgeving te verrichten. De introductie van een tiental betaalde zorgverlofdagen, het moet gezegd, is een uitstekende maatregel om zorg daadwerkelijk te versterken. Dat streven wordt helaas gedwarsboomd door het nieuwe belastingplan dat het verrichten van onbetaalde zorgarbeid ontmoedigt.

Volgens het kabinet gaan alle groepen er op vooruit. Er zijn louter bevoordeelden. Sterker nog, er lijken geen verliezers te kunnen zijn. Maar wat heeft het kabinet voor met degenen die niet voldoen aan het winnaarsperspectief? Opvallend is dat een visie op structurele factoren die achterstand en uitsluiting veroorzaken, ontbreekt. Alleen in het grotestedenbeleid is een structurele aanpak te signaleren. Buiten dat is het antwoord steeds: kansarme individuen assertiever en economisch competenter maken.

Maatschappelijke problemen als armoede en langdurige werkloosheid worden dus herleid tot moeilijkheden van enkelingen. Wie niet meekomt of minder bedreven is zich op te werken toont volgens paars een gebrek aan zelfredzaamheid. Individuele verantwoordelijkheid komt dus in de plaats van lotsverbondenheid.

John Kenneth Galbraith wijst er in zijn boek over de cultuur van tevredenheid op dat de rijke meerderheid van de bevolking allerminst in stille tevredenheid leeft. Welgestelden kunnen zich heel kwaad maken op vermeende inbreuken op hun positie en stellen zich vaak heftig te weer tegen smetten op hun comfort. De Tevreden Meerderheid staat erop dat mensen krijgen wat ze toekomt. Het honoreren van de noden en behoeften van niet-werkenden kan dan ook moeilijk worden gebillijkt.

Deze meritocratische denkwijze dreigt onder Paars aan invloed te winnen. Ongelijkheid is gerechtvaardigd omdat de één nu eenmaal harder werkt of getalenteerder is dan de ander. Achterblijvers zijn kennelijk te traag, te dom of te lui om hun kans te grijpen. Het streven van de overheid om ongelijkheid structureel te bestrijden wordt binnen deze optiek als achterhaald, overbodig of bedreigend beschouwd.

Dat zou vooral sociaal-democraten te denken moeten geven. Het tragische van de sociaal-democratie is dat de kansarme lagen die dankzij haar inspanningen zijn geëmancipeerd, de conservatieven van de toekomst zijn geworden.

Bas van Stokkom is socioloog en auteur van de boeken Emotionele democratie; over morele vooruitgang (1997) en De provinciale factor (1999).