`Een Turk of Marokkaan als vice-premier'

Kader Abdolah (1954), schrijver: ,,In 2030 hebben minderheden niet meer een vage stem, maar een hele duidelijke stem. In die tijd hebben we nog geen donkere minister-president, maar wel een vice-premier. Dat kan een Turk zijn of een Marokkaan, een Iraniër of een Surinamer; minderheden van de derde of vierde generatie. Die generatie gaat bereiken wat hun voorouders niet konden bereiken. Kleine kinderen die op dit moment met hun ouders in vluchtelingencentra soms vier of vijf jaar moeten blijven wachten, zullen dan hun stem laten horen.

Een donkere minister-president komt er misschien over honderd jaar. Minderheden kunnen over dertig jaar weliswaar hun stem laten horen, maar nog niet in de diepste laag van de Nederlandse ziel doordringen. De zwarte krullen moeten eerst een beetje verbleken. Maar dat komt later wel. Een donkere voorzitter van het parlement, dat moet in 2030 wel lukken.

Discriminatie zal nog steeds bestaan. Dat blijft altijd. Discriminatie zit in het vlees van de mens. Ik, als minderheid, discrimineer ook. Ik probeer het niet te doen, maar ten diepste blijft dat in je zitten. Als mens moet je daar altijd controle over blijven houden en je daar tegen verzetten.

De aanwezigheid van minderheden is in 2030 heel normaal geworden. Misschien nog niet zoals in Amerika, maar toch: minderheden zullen er gewoon bij horen. Het zullen Nederlanders zijn. Minderheden hebben het Nederlanderschap niet geërfd van hun ouders, maar het wel verdiend. Ik lever ook mijn bijdrage. Ik stuur mijn dochter in die richting en ik zie dat andere ouders ook bezig zijn. Als ze een beetje een zwarte dag heeft gehad op school, zeg ik vaak tegen mijn dochter: `Je moet doorzetten, want dit land is ook van jou'. We zijn nu de toekomst aan het maken. Kinderen hebben geen problemen. De kinderen van nu zijn de burgers van 2030.

Wat de literatuur betreft: de dominantie van de blanke literatuur is dan absoluut weg. Niet alleen bij de schrijvers, ook bij de personages. Ik heb het dan over het proza. In de poëzie is het anders. Daar duurt het misschien nog tot het einde van de volgende eeuw.

Nederland is heel sterk in poëzie. Nederlanders zijn een nuchter volk, maar toch hebben Nederlanders een poëtische ziel. Als ik in Iran Slauerhoff, Bloem of Kopland zou lezen, dan weet ik dat ik te maken heb met een ander volk. Bij een moderne roman is dat niet zo. Als ik een moderne roman lees, weet ik niet of die is geschreven door een Amerikaan, een Duitser of een Nederlander. Dat heeft geen Hollands kenmerk.

Daarom is het voor mij ook gemakkelijker om romans en verhalen in het Nederlands te schrijven. Mensen vragen aan mij wanneer ik poëzie ga schrijven, maar ik denk niet dat ik het ooit doe. Misschien als ik negentig word.''